Ga naar de inhoud
Museum Open 18 apr–25 okt · wo–vr 13.00–17.00 · za 10.00–17.00
Varen Bekijk de eerstvolgende vaart
Bottermuseum Harderwijk

Bottermuseum Harderwijk

Hoe vaart een botter?

Een botter besturen vraagt samenspel. Wind, zeilen, zwaarden en roer bepalen samen hoe het schip beweegt. De vissers gebruikten die beweging om op de visgrond te komen én om hun vistuig te bedienen.

HK21 onder grootzeil, fok en kluiver
De HK21 onder grootzeil, fok en kluiver, circa 1980. Kijk hoe de zeilen ten opzichte van elkaar staan. Foto uit het museumarchief.

Hoe kom je ergens als de wind tegenstaat?

Een zeilend schip kan niet recht tegen de wind in varen. Ligt de bestemming aan de kant waar de wind vandaan komt, dan kan de schipper er met schuine rakken naartoe kruisen. De koers ten opzichte van de wind bepaalt hoe de zeilen worden gezet.

Aan de wind, halve wind, ruime wind

Aan de wind komt de wind schuin van voren, bij halve wind van opzij en bij ruime wind schuin van achteren. Voor de wind komt hij van achteren. Naar de wind toe draaien heet oploeven; ervan af draaien heet afvallen.

Waarom hangt er een zwaard naast het schip?

De wind duwt het schip ook opzij. Het neergelaten zwaard geeft weerstand aan die zijwaartse beweging: het beperkt de drift. De bemanning gebruikt daarvoor doorgaans het zwaard aan de lijzijde, de kant van de wind af. Hoe ver het zwaard wordt gestoken hangt af van koers, waterdiepte, wind en het gedrag van het schip.

Sturen doe je met meer dan het roer

Een botter vaart rustiger als de krachten van de zeilen en het onderwaterschip goed bij elkaar passen. Schoten en zwaardstand beïnvloeden dat evenwicht. De roerganger voelt het aan de helmstok. Steeds hard moeten tegensturen is een aanleiding om ook naar zeilvoering en trim te kijken.

Overstag gaan en gijpen

Bij beide manoeuvres komen de zeilen aan de andere kant van het schip. De weg ernaartoe verschilt.

Overstag: de boeg gaat door de wind

Bij het kruisen wisselt het schip van de ene aan-de-windse koers naar de andere. De boeg draait door de wind. Roerganger en maat stemmen de draai, de fok en de zwaarden op elkaar af. De grote botterfok vraagt daarbij aandacht: de wijze van overnemen hangt mede af van de uitrusting van het schip.

Gijpen: het achterschip gaat door de wind

Bij een gijp draait het achterschip door de wind en gaat het grootzeil over. De bemanning begeleidt de giek en het zeil met de grootschoot. Dit vraagt een andere voorbereiding en taakverdeling dan overstag gaan.

Waarom wordt het zeil kleiner gemaakt?

Meer zeil is niet altijd beter. Door te reven verkleint de bemanning het zeiloppervlak om het schip bij meer wind beheersbaar te houden. Extra zeilen worden gekozen naar omstandigheden en werk. De kluiver hoeft dus niet tijdens iedere tocht bij te staan.

De haven uit en weer aanleggen

Vóór de motorisering moest de bemanning het doen met wind, vaarbomen, lijnen en zo nodig hulp. Ook nu vraagt een havenmanoeuvre voorbereiding: waar komt de wind vandaan, welke ruimte is er en wie bedient welke lijn? De hoge kop van een botter vangt veel wind. Een schipper houdt daar rekening mee bij het draaien en afmeren.

De motor helpt tegenwoordig bij manoeuvreren en bij windstilte. Zeilend varen blijft teamwork: de schipper bespreekt het plan en de maat organiseert het werk aan boord.

Varen om vis te vangen

Voor de visser was snelheid een middel, geen doel op zichzelf. Soms moest het schip vooruit, soms langzaam zijwaarts en soms juist vrijwel op zijn plaats blijven. De gekozen visserij bepaalde de beweging.

Dwarskuil: zijwaarts door het viswater

Bij de dwarskuilvisserij werd één schip zo gezeild dat het zijwaarts door het water bewoog en de kuil meenam. Met zeilvoering en bevestiging van het vistuig beheerste de visser de trek. Dorleijn beschrijft deze methode voor Harderwijk onder meer bij paling, garnalen en nest.

Vissen in span: twee schepen werken samen

Bij de grote of wonderkuil voeren twee schepen samen en trokken één net. Afstand en samenwerking tussen beide schepen waren onderdeel van het vissen. Deze methode verschilt van de dwarskuil. Ook botslepen kon met twee schepen gebeuren, maar daarbij werd een ander net gebruikt.

Staand want: het tuig blijft liggen

Bij uitgezette netten, fuiken of lijnen moest de bemanning het materiaal terugvinden en beheerst binnenhalen. De botter diende als werkplek. Speciale zeiltechnieken hielpen om de snelheid en richting daarbij te regelen. Zo beschrijft de VN66-handleiding het gebruik van een kenterschoot bij het binnenhalen van hoekwant.

Ontdek welk vistuig bij welke vis en welk seizoen paste →

Hoe zag een visweek eruit?

Een botter was tegelijk werkplek, verblijf en bergplaats voor de vangst. De bemanning kon meerdere dagen van huis zijn, maar bleef niet vanzelfsprekend de hele week op zee. Rond 1900 en in de jaren vóór de afsluiting van de Zuiderzee bepaalden seizoen, vistuig, vangst, wind en afzet wanneer een Harderwijker visser uitvoer en weer binnenkwam.

Een kleine bemanning, veel werk

De schipper voer doorgaans met een zoon, een knecht of een combinatie daarvan. Het aantal opvarenden hing af van de visserij. Samen verdeelden zij het varen, vissen en verzorgen van de vangst.

Lees bij het vissersgezin over schipper, knecht en verdiensten →

De week begon soms midden in de nacht

Met een kostmand aan boord kon de bemanning een paar dagen vooruit. Daarin zaten bijvoorbeeld brood, aardappelen, bonen, spek en koffie. Een reportage uit 1917 over de Harderwijker garnalenbotter HK158 beschrijft vertrek in de nacht van zondag op maandag, tussen één en drie uur. Al de volgende nacht kwamen de schepen terug om te lossen en vervolgens meteen opnieuw uit te varen.

Het bekende beeld van maandag vertrekken en vrijdag thuiskomen vertelt dus maar een deel van het verhaal. Dorleijn beschrijft voor Harderwijk onder meer deze ritmes:

Nest met de dwarskuil

Vaak na ongeveer twee dagen. Bij voldoende wind werd op dinsdag, donderdag en zaterdagmorgen gelost.

Spiering met de grote kuil

Bij redelijke vangsten dagelijks. Tegen vijf à zes uur ’s avonds lossen, even naar huis en bij geschikt weer dezelfde avond weer uitvaren.

Garnalen

Zodra voldoende levende garnalen waren gevangen. Dorleijn noemt twintig tot vijfentwintig manden, desnoods om middernacht.

Ook ’s nachts werd gevist

Bij de Harderwijker wonderkuilvisserij beschrijft Dorleijn vanaf ongeveer 1924 een uitbreiding naar nachtelijk vissen. Bij de haring- en ansjovisvangst kon het werk dag en nacht doorgaan. Dat betekende geen week zonder slaap: aan boord werd gegeten en gerust wanneer het werk dat toeliet. Aflossen kwam voor; een Urker familiegeschiedenis vertelt bijvoorbeeld hoe twee opvarenden om de beurt sliepen. De mogelijkheden verschilden met de bemanning en de visserij.

Andere havens hoorden bij het werk

Een haven bood een losplaats, kopers of beschutting. Harderwijker botnetvissers verkochten vroeger ook in Elburg en Kampen, dichter bij hun visgebied. Soms spraken zij vooraf een wekelijkse levering met een handelaar af. Sommige Harderwijker haring- en ansjovisvissers met staand want verbleven tijdens die seizoenen door de week op Urk. De geschikte haven hing dus af van de visgrond, het weer én de afzetmogelijkheden.

Wat als de bun vol raakte?

Dan moest de vangst worden afgezet. De visser kon zelf naar de wal varen, maar ook op zee verkopen aan een koopschuit. Die bracht de vis naar de markt, terwijl de vissers verder konden vissen. Dorleijn beschrijft nog een oplossing bij Harderwijker botvissers: enkele schippers verzamelden hun vangst in één schip, dat ermee naar de wal ging.

Moest je wachten totdat de bun helemaal vol was?

Nee. De vangst levend en verkoopbaar houden was minstens zo belangrijk als de beschikbare ruimte. Vooral garnalen vroegen veel zorg bij warm, windstil weer. Met een schepnet verdeelde de bemanning ze over de bun, zodat ze niet opeengepakt bleven liggen. Een goede vangst kon dus reden zijn om direct binnen te lopen.

Aan de wal ging het werk verder

Lossen betekende niet altijd dat de werkweek voorbij was. De schuit moest worden schoongemaakt, netten gerepareerd en gedroogd en voorraden aangevuld. Voor veel vissers vormden zaterdagavond en zondag de onderbreking van het werk. Daarna begon het opnieuw: naar de visgrond, vissen, de vangst verzorgen en bepalen waar en wanneer die verkocht kon worden.

Kies als schipper: doorvissen of lossen?

Je hebt een goede garnalenvangst. De bun raakt vol, het is warm en de wind valt weg. Wat weegt zwaarder: nog een trek maken of de vangst naar de wal brengen?

Afweging: meer vangen heeft weinig zin als de bestaande vangst sterft of in kwaliteit achteruitgaat. De zorg voor de garnalen en de mogelijkheid om ze tijdig te verkopen bepalen mede je keuze.

Bronnen bij de visweek

Peter Dorleijn, Van gaand en staand want IV, gedeelte Harderwijk: hoofdstuk VI (dwarskuil, garnalen en nest), VII (wonderkuil), VIII.5 (afzet van bot), IX.1 (haring en ansjovis) en XI.4 (schepen en onderhoud). De reportage over HK158 verscheen in Het Leven op 4 september 1917 en is door Dorleijn besproken en afgebeeld. Museumlesboek Het visserijverleden van Harderwijk, onderdeel ‘Het vissersleven’.

Museum Spakenburg: Koopschuit met span botslepers, aquarel van Peter Dorleijn met toelichting op de handel op zee. Mijn Zuiderzee: Jauwk van Jan van Diene, Urker familiegeschiedenis met een voorbeeld van afwisselend slapen aan boord.

Samen zeilen: admiraalzeilen in Harderwijk

Bij admiraalzeilen manoeuvreren schepen samen in afgesproken formaties. Dat vraagt nauwkeurig sturen, de zeilen goed bedienen en op elkaar letten. Het zeemanschap wordt zo ook een schouwspel voor mensen aan de wal.

Beide zijden van de herdenkingspenning voor admiraalzeilen in Harderwijk, augustus 1952, met de naam S. Petersen en HK20.
Een herinnering aan admiraalzeilen in augustus 1952. Op de penning staan HK20 en S. Petersen; de andere zijde toont zeilende schepen. Kijk eens hoe de schepen ten opzichte van elkaar zijn afgebeeld.
Meer over admiraalzeilen

De schepen varen in groepen, ook wel eskaders genoemd. In kiellinie volgen ze elkaar; in frontlinie varen ze naast elkaar. De afstemming tussen de schepen is een belangrijk onderdeel van het varen.

Lees de uitleg van het Stamboek Ronde en Platbodemjachten.

Kijk mee met de bemanning

Begin aan de kade met drie vragen. Waar komt de wind vandaan? Welk zwaard zou tijdens het zeilen aan de lijzijde zitten? Wat moet de bemanning op elkaar afstemmen als de botter van koers verandert?

Waarom laat je niet gewoon beide zwaarden helemaal zakken?

Een zwaard geeft ook weerstand in de vaarrichting en vraagt voldoende waterdiepte. Meer zwaard is daarom niet altijd nuttig. De juiste stand hoort bij de koers en de omstandigheden.

Kan dezelfde botter op verschillende manieren vissen?

Ja. De uitrusting, het seizoen en de ervaring van de visser bepaalden wat mogelijk was. Het schip en zijn zeilvoering konden voor een bepaalde visserij worden aangepast.

Tijdens een vaartocht kan de bemanning laten zien hoe deze samenwerking eruitziet. Wie verder wil leren, kan kennismaken met de vrijwilligers en het varen als maat.

Bronnen en verdere verdieping

Peter Dorleijn, Van gaand en staand want I (1982), algemene inleiding, hoofdstuk V: samenstelling van de bemanning, beloning en combinaties met ander werk (p. 49–50).

Peter Dorleijn, Van gaand en staand want IV, Harderwijk: visserijjaar en trekkende netten (p. 76–81), dwarskuilvisserij (p. 83–95), grote of wonderkuil (p. 96–100), overige visserijen (p. 109–111) en schepen en tuigage (vanaf p. 128). Eigen lesboek Het visserijverleden van Harderwijk, p. 9–15. De interne vaarhandleidingen zijn betrokken als aanvullende praktijkbron.

Stichting ’t Venose Skutien, Handleiding Bottervaren VN66, maart 2012: zwaarden en zeilbalans, overstag, gijpen, reven, kenterschoot en havenmanoeuvres. De handleiding beschrijft de uitrusting van die botter; uitvoering en bediening kunnen per schip verschillen.

Stichting Almeerse Botter AM1, Basiskennis (2021); SSRP: Beter varen met platbodems, Jan Kooijman.