Alle teksten, afbeeldingen, verhalen en opdrachten zijn bewaard in de volledige oorspronkelijke uitgaven: 24 bladzijden lesboek, 24 bladzijden docentenhandleiding en 6 bladzijden werkbladen.
Deze uitgaven verschenen rond 2012–2013. De museumlocatie, de vloot en sommige toelichtingen zijn sindsdien veranderd. De zes online thema’s geven de vernieuwde uitleg.
Alle 24 bladzijden van het lesboek als tekst
Lesboek · bladzijde 1
Het visserijverleden
van Harderwijk
Informatieboekje uitgegeven door
Informatieboekje uitgegeven door
Bekijk de oorspronkelijke opmaak en afbeeldingen ↗
Lesboek · bladzijde 2
2
Colofon:
Uitgave: Botterstichting Harderwijk in samenwerking met BOLD uit Harderwijk.
Auteurs: Raf den Ouden, Hielke van der Woude, Robert Oosterhof
Fotografie: Fotostudio Merjenburgh en O.G. Buttner
Samenstelling: Raf den Ouden, Rob Spierenburg
Eindredeactie: bureau EDU ART
Concept/vormgeving&uitvoering: BOLD reclame & adviesbureau
De Botterstichting heeft in samenwerking met EDU-ART lesmateriaal ontwikkeld voor leerlingen
van 10 tot 14 jaar. De informatie over dit lesmateriaal is te vinden op de website www.hk-botters.nl
onder de button ‘onderwijs’.
De totstandkoming van deze lesbrief is mogelijk gemaakt door de steun van o.a.:
– Stichting Het Burger Weeshuis Harderwijk
– Rabobank Randmeren StimuleringsFonds
– JONH (Jonge Ondernemers Harderwijk)
– Provincie Gelderland
– Historicus Peter Dorleijn
– Stichting Nieuw Land Erfgoed
– Galerie Frederik Weijs in Zwartsluis
www.hk-botters.nl
copyright 2013 – Botterstichting Harderwijk
Eerste uitgave op 25 augustus 2012 tijdens Visserijdag 2012 door Botterstichting Harderwijk.
Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een
geautoriseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elec –
tronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of op enige andere manier, zonder voorafgaande
schriftelijke toestemming van de Botterstichting Harderwijk.
www.www.hk-botters.nl
Bekijk de oorspronkelijke opmaak en afbeeldingen ↗
Lesboek · bladzijde 3
3
Inleiding
Wanneer je bij Harderwijk onder het aquaduct doorrijdt richting Lelystad, kom
je in Flevoland terecht. In deze provincie wonen ongeveer 390.000 mensen op
de bodem van de voormalige Zuiderzee. Op deze zee waren veel vissers actief,
waaronder een groot aantal uit Harderwijk. Zij hadden een vissersvloot van wel
120 schepen. Door de aanleg van de Afsluitdijk en de inpoldering van Flevoland
verdween deze visserij grotendeels.
De Visserijdagen, die elk jaar in de zomer worden georganiseerd, herinneren ons
aan deze tijd.
We gaan op zoek naar antwoorden op de volgende vragen:
1. Waarom werd de Zuiderzee afgesloten en voor een deel ingepolderd?
2. Welke gevolgen had dit voor de visserij in Harderwijk?
3. Wat kunnen wij in Harderwijk nu nog merken van die visserij?
Flevoland of Zuiderzee?
Harderwijk is een oude stad die al sinds 1231 stadsrechten heeft. Natuurlijk
is er in de loop van de tijd veel veranderd, bijvoorbeeld het uitzicht vanaf de
Vischpoort richting het westen. Keek je vroeger uit over de Zuiderzee, nu over
het Wolderwijd en de Flevopolder. De oude Zuiderzee was eigenlijk een soort
binnenzee die in verbinding stond met de Waddenzee en de Noordzee. Daarom
kende de zee eb en vloed en was het water zout.
De vissen in dit water waren dan ook zoutwatervissen, zoals haring, schol, bot,
schar, spiering en ansjovis. Ook zwommen er garnalen.
Aan de kust ontstonden plaatsen als Bunschoten, Volendam, Enkhuizen, Lem-
mer, Elburg, Vollenhove en natuurlijk ons eigen Harderwijk. Plaatsen die wij nu
kennen als voormalige vissersstadjes. In de zee zelf lagen een aantal eilanden
zoals Marken, Urk, Schokland en Wieringen. Een groot aantal mensen die hier
woonden probeerden hun geld te verdienen met de Zuiderzeevisserij.
Het varen op en het wonen aan de Zuiderzee kon gevaarlijk zijn. Schepen ver –
gingen en dijken braken door. De laatste grote Zuiderzeestorm in 1916 ver –
oorzaakte overstroming van een deel van de oude binnenstad van Harderwijk.
Schepen werden op de kade en tegen de huizen geslagen en straten stonden
onder water. Zo ging het ook in andere Zuiderzeeplaatsen en op de eilanden.
Door de overstromingen verdronken er mensen en dieren en was er veel schade
en overlast.
Deze storm was een van de redenen om de Afsluitdijk aan te leggen. Ingenieur
Lely had dit plan bedacht. De honderden kilometers zeedijk langs de kust van
de Zuiderzee waren lastig te onderhouden, zodat de kans op een dijkdoorbraak
groot was. Dit probleem kon volgens hem worden opgelost door de aanleg van
de dijk tussen Noord-Holland en Friesland. In 1932 werd de aanleg van de dijk
voltooid en dat maakte een ander plan mogelijk.
Bekijk de oorspronkelijke opmaak en afbeeldingen ↗
Lesboek · bladzijde 4
4
Gaand want. Vissen in span met kuilnet. (Nieuw Land, Lelystad; tekening Peter Dorleijn)
Bekijk de oorspronkelijke opmaak en afbeeldingen ↗
Lesboek · bladzijde 5
5
Lely had namelijk ook het plan om een groot deel van de zee droog te leggen om
zo te zorgen voor extra landbouwgrond. Want er was namelijk rond de Eerste
Wereldoorlog een groot gebrek aan voedsel. De inpoldering van de Zuiderzee
ging natuurlijk wel ten koste van een groot deel van het beschikbare viswater.
De voorgenomen inpoldering was voor de bekende Harderwijker Eibert den
Herder onbestaanbaar. Al heeft hij er fel tegen geprotesteerd namens de Zui-
derzeevissers, hij kon het allemaal niet voorkomen. De plannen werden toch
werkelijkheid.
In 1926 had men eerst een proefdijk aangelegd tussen het eiland Wieringen en
de kop van Noord-Holland en vervolgens de Wieringermeerpolder. De Noord-
oostpolder was klaar in 1942.
Voor de vissersplaatsen Kuinre, Blokzijl en Vollenhove betekende dit het einde
van de visserij, want de plaatsen lagen nu niet meer aan zee. De eilanden Urk
en het sinds jaren niet meer bewoonde Schokland waren nu “eilanden op het
droge” geworden.
Met de drooglegging van de Flevopolders tussen 1950 en 1970 kwam er eigen-
lijk een einde aan de visserij vanuit bijvoorbeeld Elburg, Harderwijk, Bunscho-
ten en Huizen. Alleen Urk heeft nog een fl inke vloot maar dat zijn grote kotters
die op de Noordzee vissen.
Bekijk de oorspronkelijke opmaak en afbeeldingen ↗
Lesboek · bladzijde 6
6
De visserij en het viswater
Voordat de Zuiderzee werd afgesloten en ingepolderd, werd er vanuit Harder-
wijk gevist op haring, schol, bot, schar, spiering, ansjovis en garnalen. Na de af-
sluiting van deze zee kan het zoute water vanuit de Noordzee en de Waddenzee
niet meer naar binnen stromen. Dit betekende dat het water in het IJsselmeer
door de jaren heen zoet is geworden door de afwatering van regenwater en de
rivieren de IJssel en de Eem. Er kunnen nu dus alleen maar zoetwatervissen
leven, zoals baars, snoekbaars en paling. Welke vis je kon vangen hing af van
het seizoen.
Voor de kleinere schepen gold dat men er ‘s avonds of ‘s morgens vroeg op uit
ging om vlak bij de wal te vissen, in de ochtend of avond keerde men terug. Met
grotere visserschepen viste men van maandag tot vrijdagmiddag.
Het vissen deed men met een “gaand want” of een “staand want”.
Staand want ligt of staat in het water verankerd. Dat kunnen b.v. fuiken zijn of
een hoekwant: een lange lijn mer zijlijntjes voorzien van aas.
Gaand want wordt door een of meer schepen door het water voortgetrokken.
Het kuilnet is er een voorbeeld van.
Staand want. De fuik. (Nieuw Land, Lelystad; tekening Peter Dorleijn)
Bekijk de oorspronkelijke opmaak en afbeeldingen ↗
Lesboek · bladzijde 7
7
Huh…..HK, EB, UK ???
Wilde je van vissen je beroep maken dan had je een vergunning nodig. De ge-
meente waar de visserman zijn vergunning aanvroeg, gaf hem dan gelijk een
visserijnummer. Dat nummer bestond uit een afkorting van de gemeentenaam
met een getal erbij. Zo staat HK voor Harderwijk, EB voor Elburg en UK voor
Urk. Een visser was verplicht zijn visserijnummer goed zichtbaar op de boeg en
het grootzeil van zijn schip aan te brengen. Je kon dan altijd worden geïdentifi –
ceerd, bijv. door de visserijinspectie. Vergelijk het maar met een auto die gefl itst
wordt bij te hard rijden. Het kenteken staat op de foto en de bekeuring valt in
de bus.
Verkocht een visser zijn schip dan veranderde ook het visserijnummer van het
schip. Even als voorbeeld: schipper Foppen verkoopt zijn botter HK49 aan vis-
ser Koelewijn uit Bunschoten. Koelewijn zet zijn eigen nummer, BU162, op de
schuit. Foppen heeft inmiddels bij de werf een nieuw schip laten bouwen. Op
die schuit komt zijn eigen vertrouwde nummer HK49.
Sommige visserijnummers bleven generaties lang in dezelfde familie. Opa viste
met een HK, zijn zoon nam later schip en vergunning over en nog later volgde
ook nog een kleinzoon.
Consent, verstrekte visvergunning
Bekijk de oorspronkelijke opmaak en afbeeldingen ↗
Lesboek · bladzijde 8
8
De visserschepen van de Zuiderzee
De Zuiderzee was een ondiepe binnenzee die voor het grootste deel niet dieper
dan enkele meters was. Om toch op die zee te kunnen vissen had je schepen nodig
met weinig diepgang. De rond- en platbodems voldoen aan die eis. Zij hebben
geen kiel en steken meestal nog geen meter onder water. ( De kiel is een lang –
scheeps, onder water aan de romp bevestigd vlak, dienend om het dwars uit varen
van het schip te voorkomen.) Bij de kleinere schepen gaat het zelfs maar om een
diepgang van enkele tientallen centimeters en daarmee kon je op bijna alle plek –
ken komen. Ook op plekken waar maar heel weinig water stond, maar wel vis zat.
In het begin van de 20-ste eeuw kwam je niet alleen botters tegen op de Zuider –
zee, maar ook Staverse Jollen, Wieringer Aken, Schokkers, Pluten, Vollenhoofse
Bollen, Punters en Kubboten. Die variatie had te maken met de plaatselijke om –
standigheden (diepte van het water, lager wal) en de visserijtechnieken die men
toepaste.
De Volendammer kwakken zijn met hun 15 à 16 meter lengte de grootste bot –
tersoort, maar je had ook bottertjes van amper 10 meter lengte. Rond en na de
Afsluiting in 1932 kwamen 2 nieuwe typen zeilende visserijschepen in zwang:
de schouwen en de Marker rondbouwen. Beide waren niet van hout maar van
ijzer gebouwd. De houten schepen van de Zuiderzee waren minder bestand
tegen het zoete water van het IJsselmeer en vroegen veel onderhoud.
De bruine vloot van Harderwijk in 2011
De vloot van Harderwijk bestond een eeuw geleden uit nogal diverse scheeps –
typen. Ook toen waren er al de nodige botters maar meestal van de wat kleinere
soort. De haven van Harderwijk was voor grotere schepen soms moeilijk bereik-
baar, want er lag een flinke zandbank voor de kust. Deze bank heette de Knar,
waar natuurlijk de Knardijk naar is vernoemd.
'HK 22 – HK 172"
olieverf – F.J. Weijs
De botters HK172 en HK22 zeilend voor de kust van Harderwijk
Bekijk de oorspronkelijke opmaak en afbeeldingen ↗
Lesboek · bladzijde 9
9
Naast verschillende soorten botters trof je toen in de haven ook grote en kleine
pluten aan, haringschuiten, punters en kubboten. Wie een eeuw later, 2011 dus,
om de vissershaven loopt ziet tot zijn verrassing nog veel van die variatie van
voormalige Zuiderzeevissersschepen terug.
In de eerste plaats zijn dat de botters. De HK3, HK21 en HK172 zijn typische
“Oostwalbotters,” wat kleiner van stuk met iets minder diepgang. De HK22 en
HK98 zijn van de “Westwal” ( Noord-Holland ) afkomstig, zij zijn forser met een
hogere kop.
In een hoekje van de haven zien we de HK4, een pluutje. Apart zijn ook de 2 Vol-
lenhoofse bollen ( RD23 en VN35 ), schepen met geringe diepgang en daarmee
zeer geschikt voor de ondiepe Oostwal van de Zuiderzee. Als we verder lopen
rond de Vissershaven zien we daar nog de schokker HK59 en de Wieringer aak
WR 54. Met beide scheepstypen viste men vroeger vooral in het Noordelijk deel
van de Zuiderzee en de Waddenzee. Tot slot liggen in de haven nog 2 ijzeren
Marker rondbouwen MK75 en HK9. De MK75 is de eerst gebouwde Marker –
rondbouw, destijds voor Marker vissers ontworpen. De HK9 is het enige ooit in
Harderwijk gebouwde ijzeren visserijschip.
De botter
Een botter is een vissersschip van eikenhout. Opvallend is de hoge boeg en het
lage achterschip. Grofweg kun je een botter indelen in een voorschip,een mid-
denschip en een achterschip. Het hoge voorschip bestaat uit het kabelgat en het
vooronder, gescheiden door het kooibeschot. Het middenschip bestaat uit de
vloer (werd ook wel deken genoemd) en daarop de trog. Via de trog kwam de
gevangen vis in de bun terecht, een waterreservoir waarin de vis levend werd
bewaard. Later werd een deel van de trog ingeruimd voor een motor. Het ach-
terschip bestaat uit een vloer en het achterhuisje.
Een botter voer met behulp van zeilen, maar later werd ook gebruik gemaakt
van een motor. De vissers die na de inpoldering nog zijn blijven vissen met
staand want doen dat sinds ca. 1950 met stalen, door een motor voortgedreven
kotter (HK3, HK7, HK10, HK21).
Het voorschip
In de punt van het voorschip liggen de ankerkabels en een paar zeilen, de z.g.
kluivers. Het is gelijk ook de “slaapkamer” maar er worden ook nog touwwerk
en netten bewaard.
Het overige gedeelte tussen het kooibeschot en een deurtje naar buiten heet
het vooronder, dit is het leef- en dagverblijf. Aan beide kanten van het vooron-
der zijn banken aangebracht, er staat een kacheltje (vuurduveltje) waar op werd
gekookt en aan de voorwand hangt een kastje waarin potten en pannen en het
bestek zijn opgeborgen.
Bekijk de oorspronkelijke opmaak en afbeeldingen ↗
Lesboek · bladzijde 10
10
Midden- en achterschip
Het lage achterschip is de plek waar het net met de gevangen vis werd binnen-
gehaald. De vis werd vervolgens in de kaar gesorteerd en de bruikbare vissen via
de trog in de bun gebracht. In het achterhuisje werden de gewichten bewaard
waarmee het “staand want” werd verzwaard. Als er een motor werd ingebouwd
diende het achterhuisje veelal als plek voor de brandstoftank.
Titel: Een fuik wordt binnengehaald.
Opengewerkte botter (Nieuw Land,Lelystad;tekening Peter Dorleijn)
Bekijk de oorspronkelijke opmaak en afbeeldingen ↗
Lesboek · bladzijde 11
11
Zeilen en zwaarden
De zeilen van een botter zijn een grootzeil, een fok, een kluiver en de bezaan. Het
grootzeil is bevestigd aan de mast,de gaff el en de giek. De fok aan de fokkestag.
Zeilen hijs je met touwen, de z.g. vallen. De zeilen haal je aan of je viert ze ook
met touwen, de z.g. schoten.
Kluiver en bezaan zijn extra zeilen. De kluiver wordt aan de uitgeschoven klui-
verboom vastgemaakt en voor de fok gehesen. De bezaan wordt achter het
grootzeil gehesen, dit zeil wordt ondersteund met een grote paal, de zogenaam-
de stutter.
De botter heeft een vlakke bodem zonder kiel. Om te voorkomen dat het
zeilende schip dwars uit vaart hangen aan beide kanten van de buitenzijde van
de botter houten panelen, de zogenaamde zwaarden. Tijdens het varen wordt
het zwaard aan de lijzijde neergelaten. (Lij is de zijde van het schip waar de wind
het schip verlaat)
De scheepswerven van Harderwijk
Voor zover wij weten bestaat er in Harderwijk al vanaf de 17-de eeuw scheeps-
bouwactiviteit.
Rond 1900 bestonden te Harderwijk 2 scheepswerven: Van Kuikhoven en Ten
Kate. In 1901 kocht de van Urk afkomstige Johan Oost de werf van Van Kuik-
hoven. Hij bracht het bedrijf onder de naam “Veluvia” tot bloei. Na enkele ja-
ren kocht hij het werfj e van Ten Kate op. Daarmee bezat hij het monopolie op
scheepsbouw en scheepsonderhoud in Harderwijk.
Bekijk de oorspronkelijke opmaak en afbeeldingen ↗
Lesboek · bladzijde 12
12
Bekijk de oorspronkelijke opmaak en afbeeldingen ↗
Lesboek · bladzijde 13
13
Bekijk de oorspronkelijke opmaak en afbeeldingen ↗
Lesboek · bladzijde 14
14
Niet alle Harderwijker vissers waren daar gelukkig mee. De visserijvereniging
“Onze Toekomst” richtte in 1911 een eigen werfje op om daarmee concurren-
tie en lagere prijzen te realiseren. Dit werfje, “de kleine helling” heeft tot 1957
bestaan.
”Veluvia” ontwikkelde zich tot een van de grotere werven rond de Zuiderzee. De
werf telde 7 hellingbedden: tegelijkertijd kon aan 7 schepen worden gewerkt.
De familie Oost heeft enkele tientallen nieuwe schepen gebouwd: botters van
diverse grootte onder welke een aantal forse Noordzeebotters. Oost was ook dé
werf om een pluut te laten bouwen.
Niet alleen Harderwijker vissers bestelden een schip bij Oost, opdrachtgevers
kwamen ook van Urk, uit Vlissingen en IJmuiden.
Nadat in 1918 werd besloten om de Zuiderzee af te sluiten zijn er nog maar
weinig nieuwe schepen gebouwd. Er werd op Veluvia nog een enkel ijzeren schip
(HK9) gebouwd maar de werf richtte zich vooral op onderhoud. Na een korte
opleving na de Tweede Wereldoorlog werd de werfactiviteit geleidelijk minder
en rond 1970 kwam het werk tot stilstand.
“Veluvia” is fraai bewaard gebleven. Er ligt nog steeds 1 hellingbed met bijbe-
horende lier. Af en toe wordt er een schip “gehelligd” Dan staat er nog de hel-
lingschuur en ook de smidse is nog in bedrijf. Veel herinneringen aan de vis –
serijgeschiedenis vinden we ook in het museum van de familie Foppen aan de
Zoutkeetstraat.
Het vissersleven
Als de klok van zondag op maandagnacht 12 uur had geslagen hoorde je in
de straatjes bij de haven klompen klossen op de keien. De schippers met hun
knechten gingen dan aan boord van hun botter met een kostmand. In deze
mand zaten levensmiddelen voor een paar dagen zoals roggebrood, pannenkoe-
kenmeel, boter, spek, bonen, aardappelen en koffie.
Toen er nog geen motoren in de schepen zaten werd de botter met een lange
paal de haven uitgeduwd. Vanaf 1920 werden de eerste motoren ingebouwd en
werd de haven op de motor verlaten. Eenmaal buiten de haven werden de zeilen
gehesen. Een olielamp op de voorsteven maakte het schip ’s nachts zichtbaar.
Als de schipper meende op een goede visplek te zijn gekomen ging het net over-
boord en werd het enige uren al zeilend door het water gesleept (gaand want).
Vervolgens werd het net binnenboord gehaald, de gevangen vis in de kaar ge-
sorteerd en de bruikbare vis via de trog in de bun gelaten. Dit werd een aantal
keren herhaald tot de bun een verkoopbare hoeveelheid vis bevatte. Dan werd
koers gezet naar de haven om de vis te verkopen. Soms kwam er op het water
een koopschuit langszij die de vis overnam en gelijk afrekende.
Een andere vismethode bestaat uit het plaatsen van netten, fuiken, lijnen of
kistjes (staand want) op een bepaalde plaats bijvoorbeeld onder, aan de voet van
een dijk, dus vlak bij de wal (walvisserij dus). Later wordt het want opgehaald
Bekijk de oorspronkelijke opmaak en afbeeldingen ↗
Lesboek · bladzijde 15
15
en de vis voor verkoop naar de haven gebracht. Tijdens het vissen werd de vis
gesorteerd, de netten weer op orde gebracht, gegeten en geslapen. Soms was er
helemaal geen wind, dan zochten de vissers elkaar op en deden, voor anker lig-
gend, een “bakkie” koffie met elkaar. Als het hard begon te waaien werd het zeil-
oppervlak verkleind, (het reven van het zeil) zodat er toch gevist kon worden.
Je begrijpt dat er soms veel water over het schip kwam, zodat er voortdurend
gehoosd moest worden. Bij storm zochten de vissers een schuilhaven op en za-
ten daar de storm uit.
Op vrijdag keerde men terug naar de thuishaven, dan werd de vis gelost en op de
veiling ter verkoop aangeboden. Op zaterdag werd de botter schoongemaakt en
de netten gedroogd. Op zondag ging het vissersgezin naar de kerk.
Harderwijk had in het verleden een visafslag, een veiling waar de aangevoerde
vis werd gemijnd. Vishandelaren kochten hier hun vis.
‘s Winters, als de zee bevroren was, repareerden de vissers hun netten. Ook
trokken ze er op uit met een ijsslee. Ze hakten een gat in het ijs en door dit gat
werden met behulp van palen lange netten onder het ijs gebracht om spiering te
vangen. Het is wel gebeurd dat het ijs waarop de vissers zich bevonden afbrak.
De mannen moesten dan hals over kop door het ijskoude water het land zien
te bereiken. Een bekend verhaal is dat een vader met twee zonen 10 dagen op
de Zuiderzee ronddreven op een ijsschots, de vader en één zoon zijn daarbij om
het leven gekomen.
Wintervisserij op spiering onder het ijs (Nieuw Land,Lelystad; tekening Peter Dorleijn)
Bekijk de oorspronkelijke opmaak en afbeeldingen ↗
Lesboek · bladzijde 16
16
Het vissersgezin moest – vooral in de winter – rondkomen van een klein inkomen
en soms leefde het noodgedwongen op de pof. Als vader op zee was had moeder
de zorg voor het soms grote gezin. Het huisje waarin ze woonden diende ook
als opslagplaats van reservenetten en hulpspullen. Een voorbeeld van een vis-
sershuisje vind je nog in de Kleine Marktstraat. Vaak – om een extra centje te
verdienen – pelde het gezin garnalen. Dan hielpen de kinderen voor schooltijd
mee. Moeder of een van de kinderen verkochten ook wel vis langs de deur.
Soms, als een van de jongens in de hoogste klas van de basisschool zat, vroeg
vader aan het schoolhoofd of de jongen van school mocht om mee te gaan vis-
sen. Op die manier spaarde de visser het loon voor een knecht uit.
De bijnamen
Veel visserlui hadden vroeger een bijnaam. Door een bijnaam wist je precies
over wie je het had. In de visserijgeschiedenis van Harderwijk kom je heel veel
Foppens, Klaassens en Petersens tegen. Ook bepaalde voornamen zoals Aart,
Kees en Jan kwamen vaak voor. Als je op zoek was naar schipper Foppen kon je
in Harderwijk heel lang zoeken voor je de voor jou juiste persoon te pakken had.
Maar wist je precies dat het ging om Dirk van Aart Wortel dan was het duidelijk
dat het ging om de schipper van de HK72 en wist iedereen waar je hem kon
vinden, als hij tenminste niet op zee was!
Veel bijnamen ontstonden door je eigen voornaam te verbinden aan die van
je vader en soms ook nog aan die van je grootvader. Dat levert bijv. bijnamen
op als Garrit van Aort van Klaasjen. Soms verwijzen bijnamen naar uiterlijke
kenmerken. Dikke Peter of Lange Stein zijn voorbeelden. Maar ook karakter-
Bekijk de oorspronkelijke opmaak en afbeeldingen ↗
Lesboek · bladzijde 17
17
eigenschappen, de regio waar een voorvader vandaan kwam en kleding boden
inspiratie voor bijnamen.
Bijzonder zijn ook de bijnamen die verwijzen naar gebeurtenissen in het leven
van een visser in kwestie of zaken die iets over hun manier van vissen vertelde.
Zo was de Zeehond de bijnaam van een Harderwieker visser die ook bij slecht
weer het lef had om naar zee te gaan en te vissen. Hij zat dan met zijn schuit
meer onder dan boven water en dat geleek wel een zeehond. Soms denkt men
dat bijnamen altijd scheldnamen zijn maar dat is niet zo. Toen in 1918 werd
besloten om de Zuiderzee af te sluiten schakelden vissers in sommige plaatsen,
zoals Marken en Huizen, al over naar andere beroepen. Maar in de 30-er jaren
liepen, mede door de economische wereldcrisis, de besommingen (=inkomsten)
erg terug. Sommige vissers willen koste wat het kost doorvissen maar anderen
verzetten de bakens.
Het einde van de visserij?
Het einde van de Zuiderzeevisserij betekende voor de vissers dat ze zonder in-
komen kwamen te zitten. Ook voor de mensen die in beroepen werkten die
verbonden waren met de visserij betekende het dat ze op zoek moesten naar
een andere baan. De visserij leverde namelijk veel werk op aan de wal. Denk
maar aan vishandel, vismeelfabrieken, rokerijen, inleggerijen en garnalenpel-
lerijen, maar ook de zeilmaker, de mandenmaker, de nettenbreier, de smid en
de scheepswerven. Van de regering kregen ze wel een vergoeding maar deze
was lang niet voldoende om van te leven. In Harderwijk begonnen sommigen
met een eendenhouderij, anderen kregen werk in de aanwezige kazernes van
Defensie of gingen in een fabriek
werken. Ook waren er die een vis-
verwerkingsbedrijf of viswinkel
begonnen. Trouwens, op het in-
dustrieterrein Lorentz vind je nu
nog steeds visverwerkingsbedrij-
ven. En nog steeds zijn er enkele
Hardewiekers beroepsvissers.
Netten repareren (nettenboeter)
Bekijk de oorspronkelijke opmaak en afbeeldingen ↗
Lesboek · bladzijde 18
18
Verdronken vissers
Op onvoorspelbare momenten werd de bevolking rond de Zuiderzee vroeger
getroff en door noodweer en watersnood. Buienradar was toen niet beschikbaar.
De meeste van deze rampen die vaak totveel materiele schade hebben geleid
en ook vissermannen van toen het leven hebben gekost zijn in de vergetelheid
geraakt. Zoals het volgende verhaal, waarbij bedacht dient te worden dat het
merendeel van de vissers niet kon zwemmen.
In de nacht van 26 april 1882 speelde zich op zee, voor de kust van Harderwijk,
een drama af. De broers Kees en Albert Petersen voeren met hun knecht Jan
Louw, vanuit de vissershaven van Harderwijk ter visvangst. Al vrij snel na het
vertrek werden zij getroff en door een windhoos die hun botter, de HK78, deed
kapseizen. Albert zat in het vooronder Opperdoezer aardappelen te schillen. Hij
verdronk vrijwel onmiddellijk. Kees Petersen en Jan Louw konden zich redden
op de onderkant van de omgeslagen botter. Ver waren zij niet van de kust want
zij konden het licht van de vuurtoren in Harderwijk zien. De hele nacht hebben
beiden op het vlak van de botter doorgebracht waar, in alle ellende, Kees nog
het vijfde vers van psalm 42 gezongen heeft: Maar de Heer zal uitkomst geven.
De volgende morgen werd, na een alarmering, een schip uitgezonden. Toen de
omgeslagen botter gevonden was, gooide men touwen uit om beide mannen aan
boord te nemen. Kees Petersen greep mis en verdronk. Jan Louw werd gered.
Het Vissersmonument met herinneringsplaquette aan de Vissershaven van
Harderwijk, herinnert ons aan die vissers die het leven lieten op zee. Tijdens
de jaarlijkse Visserijdagen vindt daarom een bloemlegging plaats bij dat monu-
ment. Uit eerbetoon, zodat de verdronken vissers niet worden vergeten.
Bekijk de oorspronkelijke opmaak en afbeeldingen ↗
Lesboek · bladzijde 19
19
De Visafslag van Harderwijk
In 1912 verzocht de toenmalige visserijberoepsvereniging “Onze Toekomst”de
gemeenteraad tot het instellen van een Gemeentelijke Visafslag.
Beoogde voordelen:
– keur- en veilplicht
– hogere prijzen voor de aangeleverde vis
– meer aanvoer door niet Harderwijkse vissers, handelaren kunnen hun omzet
verhogen en de werkgelegenheid neemt toe.
– profijtelijk voor de gemeentekas, immers over de prijs van de aangevoerde vis
wordt een heffingspercentage opgelegd t.b.v. de gemeentekas.
De gemeenteraad van Harderwijk ging snel akkoord en in 1913 werd de Visaf –
slag gebouwd op de hoek Havendam- Grote Oosterwijk dus in de direkte omge-
ving van haven en vissersbuurt.
Uit een eerdere mislukte poging om een visafslag op te richten (1905) had men
geleerd dat een visafslag zonder keur- en veilplicht weinig kans van slagen had.
De burgemeester van Harderwijk kondigde nu dan ook de keur- en veilplicht af.
De vishandelaren waren niet blij en dat is zacht uitgedrukt. Voorheen deden zij
rechtstreeks zaken met de vissers: vaak werd de koopprijs een week van tevo-
ren vastgesteld. Markt en concurrentie functioneerden anders. In een wijdlopig
maar vooral vlammend protest tekende één van de plaatselijke vishandelaren,
Klaas Foppen, bezwaar aan tegen de veilplicht en de visafslag. In 1914 was er
zelfs gedurende korte tijd sprake van een boycot. Maar geleidelijk aan legden
ook de vishandelaren zich bij de nieuwe feiten neer.
De visafslag kende (en voor de vissers was dat niet anders) topjaren maar ook
dieptepunten qua omzet. Een topjaar was 1918 met een omzet van ruim zes –
honderd duizend gulden. De jaren ná de Afsluiting waren droevig: in 1935 be-
droeg de omzet iets meer dan één ton in guldens. Na de Tweede Wereldoorlog
namen de verdiensten aanvankelijk weer behoorlijk toe. Uiteindelijk deden de
inpolderingen de Harderwijker Visafslag de das om. Het oorspronkelijke ge-
bouwtje werd in 1963 gesloopt, de visafslag verhuisde naar het gebouwtje van
de toenmalige rivierpolitie en uiteindelijk naar een ruimte in het nieuwe stad-
huis van Harderwijk, waarna er definitief een punt achter de visafslaggeschie-
denis leek te worden gezet. Leek, want sinds enige tijd zijn er serieuze plannen
om de oude glorie weer in ere te herstellen. Daartoe is de Stichting Vischafslag
Harderwijk opgericht die het als een uitdaging ziet om met de herbouw van de
Visafslag een ode te brengen aan het culturele erfgoed van Harderwijk. Bijzon-
der is wel dat een belangrijk deel van het voormalige interieur zoals de mijnklok,
aalbak en mijnbanken bewaard zijn gebleven De visserij is voor Harderwijk van
belangrijke betekenis geweest en is dat nog! Er werd gevist op de Zuiderzee, af –
geslagen in de Visafslag en op de Vischmarkt verkocht. Die geschiedenis wordt
weer zichtbaar.
Bekijk de oorspronkelijke opmaak en afbeeldingen ↗
Lesboek · bladzijde 20
20
Enige gegevens van de heden ten dage in de Harderwijker vissershaven liggende schepen,
eigendom van de Harderwijker Botterstichting
HK 4
Type:
punter/pluut
Bouwjaar:
1923
Werf:
Balk, Elburg
Afmetingen ( lengte x breedte x diepgang):
7,2 x 2,1 x 0,4 mtr.
Zeiloppervlakten:
– grootzeil: 14 m2
– fok: 5,5 m2
– kluiver:
4,5 m2
– bezaan:
–
HK 21
Type:
Botter voor de Gelderse kust
Bouwjaar:
1909
Werf:
De Haas te Durgerdam
Afmetingen ( lengte x breedte x diepgang ):
11,8 x 3,85 x 0,6 mtr.
Zeiloppervlakten:
– grootzeil: 34 m2
– fok: 26 m2
– kluiver:
18 m2
– bezaan:
12 m2
Bekijk de oorspronkelijke opmaak en afbeeldingen ↗
Lesboek · bladzijde 21
21
HK 22
Type:
Marker botter
Bouwjaar:
1889
Werf:
De Haas. Monnickendam
Afmetingen ( lengte x breedte x diepgang ):
12,5 x 4,2 x 0,80 mtr.
Zeiloppervlakten:
– grootzeil: 35 m2
– fok: 30 m2
– kluiver:
20 m2
– bezaan:
15 m2
HK 172
Type:
Oostwalbotter
Bouwjaar:
1899
Werf:
Schepman, Kampen
Afmetingen ( lengte x breedte x diepgang ):
12,0 x 4,0 x 0,7 mtr.
Zeiloppervlakten:
– grootzeil: 35 m2
– fok: 30 m2
– kluiver:
20 m2
– bezaan:
15 m2
Bekijk de oorspronkelijke opmaak en afbeeldingen ↗
Lesboek · bladzijde 22
22
Onderwijs
De Botterstichting heeft in samenwerking met EDU-ART lesmateriaal ont –
wikkeld voor leerlingen van 10 tot 14 jaar. Leerkrachten en leerlingen kunnen
zelfstandig met dit materiaal aan de slag. Leerlingen ontdekken op een actieve
manier alles over het leven van de bottervissers in Harderwijk.
Het lesmateriaal is te vinden op de website www.hk-botters.nl onder de button
‘onderwijs’.
De lessen kunnen gekoppeld worden aan een bottertocht. Kijk voor meer infor-
matie op de website.
Bekijk de oorspronkelijke opmaak en afbeeldingen ↗
Lesboek · bladzijde 23
23
Bekijk de oorspronkelijke opmaak en afbeeldingen ↗
Lesboek · bladzijde 24
Bekijk de oorspronkelijke opmaak en afbeeldingen ↗