We nemen je mee in het vissersverhaal
In het Bottermuseum Harderwijk komt het vissersverhaal samen. De schepen liggen voor de deur, in de Botterloods werken vrijwilligers aan onderhoud, herstel en restauratie van botters en in de Vischafslag ontdek je hoe de vangst inkomen werd.
Het museum bevindt zich op de locatie van de vroegere Kleine Helling, waar vissersschepen voor onderhoud en herstel op de kant gingen. Vandaag geven we op deze plek het vakmanschap door. Zo is het museum ook een leerschool voor varen, bouwen, restaureren en onderhouden, en voor kennis van de visserij.
Die samenhang was vroeger van levensbelang. Vissers hadden goede schepen, een helling, vakkennis en een betrouwbare verkoop nodig om hun gezinnen te onderhouden. Visserijvereniging Onze Toekomst bracht hen samen om daaraan te werken.
We nemen je mee in dit verhaal: van schip en vangst naar handel, ambacht, gezin en veranderend water. Onze vrijwilligers houden de schepen varend en geven de kennis en verhalen door.
Waarom de vissers zich verenigden
In de negentiende eeuw groeide de visserij op de Zuiderzee. Rond 1900 was Harderwijk een vissersstad met veel zelfstandige vissersbedrijven. Niet alleen de bemanning, maar ook gezinnen, scheepsbouwers en handelaren waren van de visserij afhankelijk. Vangsten en inkomsten wisselden, terwijl onderhoud en uitrusting geld bleven kosten. De schipper zorgde voor zijn schip en vangst, maar had voor onderhoud, verkoop en een bruikbare haven anderen nodig.
In die omstandigheden wilden vissers samen meer grip op hun bestaan krijgen. Onze Toekomst gaf hun een manier om voorzieningen te organiseren en gezamenlijk afspraken te maken. Wie weinig keus had aan de wal, stond alleen immers zwak.
Een concrete aanleiding voor de oprichting van visserijvereniging Onze Toekomst lag bij de scheepswerven. Scheepsbouwer Johan Oost had de twee plaatselijke werfbedrijven in handen gekregen en één daarvan opgeheven. Daarmee verdween de onderlinge concurrentie. Onder vissers groeide het ongenoegen over die afhankelijkheid. Een vereniging met een eigen werf moest hun meer keus en gunstiger hellingtarieven bieden.
Op 2 januari 1909 werd Onze Toekomst opgericht als een vereniging die de beroepsbelangen van vissers gezamenlijk behartigde. De problemen kwamen samen: weinig keus bij scheepsonderhoud, gevaar op het water, een haven die verbetering vroeg en vangsten die ook buiten Harderwijk werden verkocht. Een afzonderlijke schipper kon daar weinig aan veranderen. De vereniging kon investeren, schenkers benaderen en namens de vissers met de gemeente onderhandelen.
De ambities gingen verder dan het oplossen van één probleem. Veilig thuiskomen, betaalbaar onderhoud, een betere verkoop en vakonderwijs moesten het beroep als geheel versterken. Bij het afslagplan keek Harderwijk naar plaatsen als Enkhuizen, Volendam, Urk en Marken. De vissers wilden hun werk beter organiseren en de stad meer laten profiteren van de handel.
Hoe maakten zij hun plannen waar?
De leden kozen een bestuur, bespraken voorstellen en gaven commissies opdrachten. Ook mensen uit aanverwante beroepen, zoals zeilenmakers en handelaren, konden lid worden. Bij stemmingen had een visser twee stemmen en een ander lid één. In 1911 telde de vereniging meer dan honderd gewone leden, onder wie vissers, vissersknechten en schippers. Van de zeven bestuursleden moesten er vijf visser zijn. Secretaris E. den Herder en penningmeester A. Mons legden op de jaarvergadering verantwoording af. Lucas Groen maakte als voorzitter plaats voor Meindert Jansen omdat hij zelf geen visser meer was.
Voor grote voorzieningen zocht de vereniging steun buiten de eigen kring. Particulieren stelden in 1911 500 gulden beschikbaar voor de helling. De gemeente hielp met grond en een jaarlijkse subsidie van 50 gulden voor de reddingsvoorziening. Ledenbijdragen, schenkingen, eigen werk en gemeentelijke medewerking maakten samen meer mogelijk dan één vissersgezin kon betalen.
Ook opkomen voor oudere vissers
De vereniging kwam ook op voor vissers die moeilijker hun brood op zee konden verdienen. In februari 1910 kreeg Jan Jansen toestemming om met fuiken in de haven te vissen. Op advies van Onze Toekomst werd die mogelijkheid uitgebreid tot alle vissers van zeventig jaar en ouder, in overleg met de havenmeester. Zo kon gezamenlijke belangenbehartiging ook voor een individuele visser verschil maken.
1. Reddingsmiddelen voor iedereen
In 1909 organiseerde de vereniging twee ijsvletten: een grotere vlet met zeil en een kleinere roeivlet. Daarbij hoorden riemen, staaldraad, laarzen, lantaarns, reddingsgordels, bijlen en kompassen. Een commissie ging naar Alkmaar om de uitvoering te bespreken. Het materieel werd gezamenlijk eigendom; leden kregen via een jaarlijkse bijdrage gebruiksrecht.
Ds. Rijnders zamelde geld in. Koningin Wilhelmina schonk 200 gulden en koningin-moeder Emma 100 gulden. Plaatselijke leveranciers hielpen met de uitrusting. De gemeente werd gevraagd om grond voor een bergplaats buiten de Vischpoort.

Als ijs ook het inkomen vernielde
In februari 1912 dreef plotseling ijs tussen de uitgezette spieringnetten. Een belangrijk deel van de netten werd vernield. Daarmee verloren vissers naast hun vangstkans ook kostbaar gereedschap. Onze Toekomst vroeg hulp aan de koningin en deed een beroep op de burgerij. In maart ontving voorzitter Meindert Jansen een gift van 200 gulden, met het verzoek het geld te verdelen naar de netschade die iedere visser had geleden.
2. Prins Hendrik op bezoek

Op 4 augustus 1911 kwam prins Hendrik het reddingswerk bekijken. De haven was versierd en schoolkinderen waren aanwezig. De kleine ijsvlet Juliana bracht hem naar het verenigingsgebouw.
Daar bekeek hij de grote ijsvlet Prins Hendrik en de uitrusting. Tien mannen in oliegoed en laarzen demonstreerden de vlet op het water. Met het bezoek kreeg het gezamenlijke reddingswerk ook buiten Harderwijk aandacht.
Verdieping: hoe verliep het bezoek van prins Hendrik?
Van de haven naar de ijsvlettenloods
Prins Hendrik stak met burgemeester Kempers en zijn adjudant de haven over in de kleine vlet Prinses Juliana. Aan de overkant wachtte het bestuur van Onze Toekomst. Na de kennismaking ging het gezelschap naar de loods waar de grote ijsvlet Prins Hendrik werd bewaard. Beide vletten waren voor het bezoek versierd.
Meer dan twee boten
Het verslag beschrijft uitvoerig wat de vereniging voor het reddingswerk beschikbaar had. Naast de stalen ijsvletten waren er onder meer riemen, reddingsboeien, lantaarns, waterlaarzen, ijshaken, ijsboren en staaldraad. Ook een commandant en een ondercommandant werden aan de prins voorgesteld. Het reddingswerk vroeg dus om materiaal, een bergplaats én mensen die samen konden optreden.
De bemanning laat haar werk zien
Tien mannen stonden klaar in oliepakken, zuidwesters en hoge laarzen. Zij brachten de grote vlet langs de helling het water in en namen de riemen op. Daarna maakte de prins in de kleine vlet een tocht langs de versierde vissersvloot en de havenpier. Toen beide vletten elkaar passeerden, bracht de bemanning met opgeheven riemen een groet.
Terug in de haven bedankte de prins schipper Groen en zijn bemanning. Het bezoek maakte zichtbaar wat Onze Toekomst gezamenlijk had opgebouwd: een georganiseerde voorziening om mensen op het water te helpen.
Hertaalde samenvatting van het aangeleverde geïllustreerde bezoekverslag, bladzijde 2.
3. Een eigen helling
Een schip dat niet kon varen, verdiende niets. Een eigen helling gaf de vissers meer keus bij onderhoud en bracht concurrentie in het werk aan de schepen. Particuliere geldgevers hielpen de aanleg mogelijk maken.
Dat riep ook weerstand op. In augustus 1911 ontstond een openbare briefwisseling met scheepsbouwer Johan Oost over het gebruik van reddingsmateriaal bij werkzaamheden op de verenigingswerf. Gezamenlijk bezit bracht vragen mee over kosten, gebruik en concurrentie.
4. De vangst in Harderwijk verkopen
Op 5 juni 1912 vroeg Onze Toekomst de gemeenteraad om een gemeentelijke visafslag. Het bestuur klaagde over lage plaatselijke visprijzen en vangsten die al vooraf aan handelaren waren verkocht. Een afslag moest meer kopers aantrekken en de vissers een betere prijs bieden. Meer plaatselijke handel zou ook werk opleveren voor sjouwers, mandenmakers en andere bedrijven in de stad.
Het oorspronkelijke plan combineerde een afslag op de begane grond met een visserijschool op de verdieping. De kosten en het verwachte gebruik verdeelden het gemeentebestuur en de raad. Op 20 juni 1912 besloot de raad tot een veel eenvoudiger afslag; het gezamenlijke bouwplan voor school en afslag was verlaten.
Ook onder vissers bestond twijfel over de verkoopverplichting en de kosten. In november 1912 vroegen zestien schippers en knechten om eerst een algemene ledenvergadering van Onze Toekomst te houden. Na die vergadering gaven de aanvankelijke tegenstanders alsnog hun steun, al bleven zij voorzichtig over de verwachte opbrengsten. Handelaren hadden andere zorgen: meer concurrentie bij de verkoop kon hun bestaande prijsafspraken en winstmarges aantasten.
Bij de afslag ging het ook om toezicht op de vangst. De raadsvoorzitter wees in november 1912 vooral op verzet van nestvissers tegen de voorgestelde verordening. Hij noemde het beteugelen van de nesthandel als een belang van de afslag. De discussie ging daardoor zowel over de verkoop als over de vraag welke vis mocht worden aangevoerd.
5. Een feestelijke, onvoltooide start
In april 1913 opende de Vischafslag met veel belangstelling en een eerste verkoop. De bel hing nog niet op de bedoelde plaats en een bascule om te wegen ontbrak.
De eerste afslag was vooral een overkapping op stijlen met een eenvoudige afscheiding. Wind en regen hadden er vrij spel. Al in de zomer van 1913 vroeg de vereniging om betere beschutting en vrije losruimte aan de kade. Afneembare schotten moesten de overlast beperken.
De afslag trok zoveel aanvoer en handel dat de ruimte al spoedig te klein werd. In november 1916 presenteerde gemeentearchitect Tiemens een uitbreidingsplan met meer pakruimte en een groter kantoor. Het latere afslaggebouw ontstond dus in stappen. Ook toezicht en afslagkosten bleven onderwerp van onderhandeling.
6. Een school voor de volgende generatie

Jongens werken met touw en netten; links gebruikt een leerling een navigatie-instrument. De foto maakt zichtbaar hoe praktische vaardigheden werden aangeleerd. Vergelijk dit met wat een visser aan boord moest kunnen. Opnamedatum onbekend.
In december 1913 opende de visserijschool. De driejarige cursus moest jongens voorbereiden op visserij en scheepvaart en uitzicht bieden op verdere diploma’s voor schipper of stuurman. Ervaringskennis uit het gezin en van aan boord kreeg aanvulling door vakonderwijs.
Ook voor de school was deelname niet vanzelfsprekend. Bij de opening klaagde E. den Herder dat sommige eerdere pleitbezorgers hun jongens toch niet lieten komen. Een voorziening oprichten was één ding; de achterban meekrijgen bleef werk.
7. Wie sprak namens de vissers?
Al in januari 1912 bleek hoe moeilijk het was om namens alle vissers te spreken. Een deel had zich aangesloten bij de nieuwe vereniging Juliana, uit zorg over beperkingen van de kuilvisserij. In de vergadering kwamen ook klachten over streng toezicht op ondermaatse vis aan bod. Het bestuur van Onze Toekomst werd met vier bestuursleden van Juliana uitgebreid; de afzonderlijke vereniging werd opgeheven.
De discussie laat een belangrijk onderscheid zien tussen kuilvisserij en nestvisserij. In dezelfde vergadering spraken leden zich uit voor behoud van de kuil, terwijl zij zich tegen nestvisserij keerden. Een vismethode verdedigen betekende dus niet dat men iedere toepassing ervan steunde.
In 1914 ontstond een bestuursconflict: mochten vishandelaren bestuurslid zijn? Van de 86 aanwezige leden wilden 60 dat dit mogelijk bleef. Bij de daaropvolgende verkiezing werd het bestuur geheel vervangen.
Vissers en handelaren hadden elkaar nodig, maar hun belangen vielen niet altijd samen. De ledenvergadering bepaalde wie hen mocht vertegenwoordigen.
8. Een ander water, nieuwe keuzes
Na de afsluiting van de Zuiderzee in 1932 veranderden het water en de vangstmogelijkheden. Vissers bleven investeren en zochten mogelijkheden met onder meer paling en snoekbaars. Latere inpolderingen veranderden hun werkgebied opnieuw.
De oude afslag verloor haar centrale functie en verdween, terwijl elders rond de haven nog vis werd verkocht. De visserij stopte dus niet plotseling in 1932. Vissers pasten hun werk aan en gingen door, terwijl de vloot en het visgebied later kleiner werden.
9. Wat je vandaag terugziet
In 2016 openden de huidige Vischafslag en Botterloods. In het Bottermuseum komen onderhoud, varen, handel en kennisoverdracht weer bij elkaar.
Onze Toekomst was een beroepsvereniging van vissers. Het huidige museum behoudt het erfgoed van die visserij. In beide verhalen werken mensen samen aan schepen, voorzieningen en vakkennis. Loop van de mijnklok naar de Botterloods en de haven. Daar krijgt dit verhaal een gezicht.
Lees hoe de Vischafslag werkte → · Terug naar Vischafslag & Onze Toekomst
Bronnen bij dit verhaal
Oudere vissers: De Harderwijker, 19 februari 1910, p. 1, raadsbesluit over fuikenvisserij in de haven voor vissers vanaf zeventig jaar.
IJsschade en onderlinge hulp: De Harderwijker, 10 februari 1912, p. 2; Overveluwsch Weekblad / Harderwijker Courant, 27 maart 1912, p. 2.
Juliana, kuilvisserij en toezicht: Overveluwsch Weekblad / Harderwijker Courant, 31 januari 1912, p. 2, volledig vergaderverslag. De uitspraken over de kuil en nestvisserij zijn standpunten van deelnemers aan de vergadering.
Afslagverordening en nesthandel: Overveluwsch Weekblad / Harderwijker Courant, 23 november 1912, p. 6, gemeenteraadsverslag. De duiding van het verzet is toegeschreven aan de raadsvoorzitter.
Oprichting, afslagplan en bouwontwikkeling: historische beschrijving van de Harderwijker visafslag uit de museumcollectie, hoofdstukken ‘Een gemeentelijke visafslag: een nieuw initiatief in 1912’ en ‘De visafslag opgestart’, p. 24–35.
Groei van de Zuiderzeevisserij: Evert Lagerweij, Terug naar de “Zuiderzee”!, 11 november 2018, gepubliceerd door de SSRP.
Krantenonderzoek: digitale krantenbank van het Noord-Veluws Archief. De oorspronkelijke spelling van de krantentitels is hieronder aangehouden.
Aanleiding voor de vereniging: Nieuw Land Erfgoedcentrum, ‘Werfactiviteiten in Harderwijk’, 27 juni 2013: de concentratie van de werven bij Johan Oost, het ongenoegen van vissers en de oprichting van een verenigingswerf met lagere hellingtarieven. Lees het artikel in het maandarchief van Nieuw Land.
Vereniging, reddingsmiddelen en helling: De Harderwijker, 28 april en 6 mei 1909, p. 2; 10 juli 1909, p. 1; 11 februari 1911, p. 2. Overveluwsch Weekblad / Harderwijker Courant, 23 en 26 augustus 1911, p. 2.
Prins Hendrik: Leeuwarder Courant, 7 augustus 1911, p. 2, ‘Prins Hendrik te Harderwijk’; Vittepraetje, 2008, p. 18–19. ‘Koninklijke erkenning’ beschrijft hier de waardering en aandacht voor het reddingswerk.
Afslag, inspraak en onderwijs: Overveluwsch Weekblad / Harderwijker Courant, 8 juni 1912, p. 2; 15 juni 1912, p. 6; 20 november 1912, p. 3; 7 december 1912, p. 2; 30 juli 1913, p. 5; 17 december 1913, p. 2; 3 juni 1914, p. 2. De Harderwijker, 23 april 1913, p. 2.
Latere visserij en erfgoed: Robert Oosterhof, ‘HK20’, Historisch Jaarboek Harderwijk 1993, met name p. 47; De Ratel, mei 2012, geschiedenis van de HZ1; Herderewich, ‘Botterloods en Vischafslag’; VIS, mei 2016, nr. 4, p. 3. Aanvullend: archiefinleiding van Onze Toekomst, toegang 5011.
Reddingsmiddelen, april 1909 · Plan voor de afslag, juni 1912 · Opening, april 1913 · Schoolopening, december 1913
Historisch Jaarboek 1993 · Herderewich: Botterloods en Vischafslag