Ga naar de inhoud
Museum Open 18 apr–25 okt · wo–vr 13.00–17.00 · za 10.00–17.00
Varen Bekijk de eerstvolgende vaart
Bottermuseum Harderwijk

Bottermuseum Harderwijk

Hoe vang je een vis?

De vangst

Het schip bracht de visser naar het viswater. Maar zijn vangst hing af van kennis: welke vis is er, in welk seizoen en met welk tuig?

Twee schepen, één kuilnet
Twee schepen, één kuilnet

Volg de lijnen van de schepen naar het net. Twee vissersschepen trekken samen één kuil door het water: vissen in span.

Peter Dorleijn / Nieuw Land, Lelystad · lesboek, bladzijde 4. Bekijk de oorspronkelijke bladzijde ↗

Vistechniek & kennis

Een net alleen maakt nog geen vangst. Een visser moest weten waar de vis zat, wanneer hij er kwam en welk gereedschap daarbij paste.

Kijk · kies · ontdek

Welk tuig kies jij?

Je wilt paling met aas aan haken vangen. Wat heb je nodig?

Samen doen · kijk en beweeg

Speel het verschil na

Gebruik de tekeningen op deze pagina. Er is geen echt net nodig.

  1. Vissen in span. Wijs ieder één schip op de kuiltekening aan. Beweeg je vingers tegelijk in dezelfde richting. Volg de lijnen naar het net: hoe houden de schepen samen de opening van het net breed?
  2. Een fuik. Eén van jullie wijst de ingang en de vernauwingen aan. De ander volgt met een vinger de route van een vis. Waarom is de terugweg moeilijk te vinden?
  3. Wissel van rol. Leg zonder de namen te noemen één van de twee methoden uit. Kan de ander het juiste beeld aanwijzen?
Vergelijk jullie uitleg

Bij de kuil bewegen schepen en net door het water. Bij de uitgezette fuik blijft het tuig op zijn plaats en zwemt de vis naar binnen. De vernauwingen maken terugzwemmen moeilijk. In beide gevallen spelen de plek en de beweging van de vis een rol.

Vangst binnen? Ontdek hoe de visser er zijn inkomen van maakte →

Dit wil je onthouden
  • Seizoen en water bepaalden de vangst.
  • Gaand want beweegt tijdens het vissen.
  • Staand want blijft op zijn plaats.

Viswater is niet overal hetzelfde

De vroegere Zuiderzee stond in verbinding met de Waddenzee en de Noordzee. Tegelijk voerden rivieren, waaronder de IJssel, zoet water aan. Het zoutgehalte verschilde daardoor per gebied. Ook bodem en waterdiepte wisselden: zachte modder, zandbanken en hardere plekken boden verschillende omstandigheden voor vis én vistuig.

Bij Harderwijk hoorde de Knar bij dat landschap onder water: een harde plek met veel schelpen op klei. Langs de Veluwse kust lagen bovendien ondiepe banken. De visser moest zulke verschillen kennen. Een net dat op de ene visgrond goed werkte, was elders minder bruikbaar.

Waarom kon de wind de haven onbereikbaar maken?

De wind verplaatste grote hoeveelheden water. Bij langdurige afwaaiing kon het water langs een kust sterk zakken; bij opwaaiing juist stijgen. Vooral in het zuidelijke deel van de Zuiderzee was die invloed groter dan het gewone verschil tussen eb en vloed. Voor een visser betekende dit dat dezelfde ondiepte of haventoegang de ene dag wel en de andere dag nauwelijks bevaarbaar kon zijn.

Waarop visten Harderwijkers?

Vanuit Harderwijk werd onder meer gevist op haring, ansjovis, bot, spiering, paling en garnalen. Niet ieder bedrijf beoefende alle visserijen. Een visser koos op basis van ervaring, materiaal, schip en afzet.

Gaand want: het tuig beweegt

Bij gaand want wordt het vistuig tijdens het vissen door het water bewogen. Een kuilnet is een zakvormig net dat door een schip, of door twee samenwerkende schepen, kon worden voortgetrokken. Die samenwerking heet vissen in span.

Was ieder sleepnet hetzelfde?

Net, maaswijdte, vaarwijze en omstandigheden bepaalden wat werd gevangen. Gaand want is een verzamelbegrip. Het betekent niet dat ieder sleepnet hetzelfde was of voor dezelfde soort werd gebruikt.

HK21 onder zeil tijdens het kuilvissen
De HK21 tijdens het kuilvissen, op een van haar vroegste foto’s. Het net wordt door het varende schip voortgetrokken; daarom hoort de kuil bij het gaand want.

Staand want: de vis komt naar het tuig

Bij staand want blijft het vistuig gedurende de visserij op zijn plaats. De visser zet het uit en haalt het later weer op. Een staand net wordt uitgezet en blijft op zijn plaats. Ook met fuiken, hoekwant en aalkistjes wacht de visser tot de vis naar het uitgezette tuig komt. Die vangmiddelen werken elk op een andere manier.

De vis zwemt de fuik in
De vis zwemt de fuik in

Bekijk de vernauwingen in de fuik. De vis kan naar binnen zwemmen, maar vindt de weg terug moeilijk. Vergelijk dit vaste vangmiddel met het voortgetrokken kuilnet.

Oorspronkelijk lesboek; volledige credits in de uitgave · lesboek, bladzijde 6. Bekijk de oorspronkelijke bladzijde ↗

Hoe verschillen fuik, hoekwant en aalkistje?

Een fuik leidt vis via ingangen naar een ruimte waaruit ontsnappen moeilijk is. Een hoekwant is een lange lijn met zijlijnen en haken met aas. Een kub of aalkistje lokt paling naar binnen. Een staand net vangt vis in het net. Een fuik of kistje houdt de vis gevangen in een afgesloten ruimte; hoekwant vangt de vis aan een haak.

Welke soort herken jij?

Kijk eerst naar het plaatje. Hoe heet deze soort? Welk vistuig past erbij, en in welk seizoen gingen de vissers erop uit? Open het antwoord en bespreek daarna de verdiepingsvraag.

Deze voorbeelden gaan over de historische visserij rond Harderwijk. Wind, temperatuur en de aanwezigheid van vis bepaalden mede het seizoen.

Een slanke, zilverkleurige vis.
Afbeelding uit werkbladopdracht 3 van het oorspronkelijke lesprogramma.

Haring

Waaraan herken je een haring, en hoe werd hij gevangen?

Bekijk het antwoord

Haring is een scholenvis. Harderwijkers vingen hem onder meer met trekkende drijfnetten tussen twee schepen, met reepnetten en met fuiken. In de zoute Zuiderzee volgde de haringvisserij op de winterse spieringvisserij: vooral in het voorjaar.

Verdiepingsvraag: Waarom is een school vissen handig voor de visser?

Veel vissen zwemmen bij elkaar. Met een passend net kon een visser daardoor meerdere vissen tegelijk vangen.

Een lange vis met een slangachtig lichaam.
Afbeelding uit werkbladopdracht 3 van het oorspronkelijke lesprogramma.

Paling (aal)

Met welk vistuig ving je paling, en in welk seizoen?

Bekijk het antwoord

Paling kon met hoekwant worden gevangen: een lange lijn met zijlijntjes, haken en aas. Ook kubben, fuiken, aalkistjes en de dwarskuil werden gebruikt, afhankelijk van tijd en plaats. De visserij liep vooral van het voorjaar tot in het najaar. In het nog koude voorjaar leverde hoekwant soms eerder paling op dan de kuil.

Verdiepingsvraag: Is paling alleen een zoetwatervis?

Nee. Paling kwam ook in de Zuiderzee voor. Na de afsluiting bleef paling belangrijk in het zoeter wordende IJsselmeer. Voor de voortplanting trekt de volwassen aal naar zee.

Een langgerekte vis met donkere banden en een stekelige rugvin.
Afbeelding uit werkbladopdracht 3 van het oorspronkelijke lesprogramma.

Snoekbaars

Waarom hoort snoekbaars bij het verhaal ná 1932?

Bekijk het antwoord

Na de afsluiting werd het IJsselmeer geleidelijk zoeter. De snoekbaarsstand ontwikkelde zich en vissers pasten hun werk aan. Ze gebruikten staande netten en later ook trekkende drijfnetten. Bij kouder weer trok de snoekbaars naar dieper water; dat maakte vooral het najaar en de winter belangrijk voor deze netvisserij.

Verdiepingsvraag: Is een staand net hetzelfde als een trekkend net?

Nee. Een staand net blijft op zijn plaats en de vis zwemt erin. Een trekkend net wordt door de vissers door het water bewogen.

Een klein dier met voelsprieten, veel pootjes en een gebogen lijf.
Afbeelding uit werkbladopdracht 3 van het oorspronkelijke lesprogramma.

Garnaal

Is een garnaal een vis, en waarmee werd hij gevangen?

Bekijk het antwoord

Een garnaal is een schaaldier. In de zoute Zuiderzee visten Harderwijkers op garnalen met de dwarskuil: een zakvormig net dat werd voortgetrokken terwijl het schip zijwaarts dreef. Het was vooral werk voor de warmere maanden, tot in het najaar. Daarna nam de winterse spieringvisserij het weer over.

Verdiepingsvraag: Waarvoor konden garnalen nog meer worden gebruikt?

Behalve voor de verkoop als voedsel waren garnalen ook bruikbaar als aas bij de visserij met haken.

Spiering, bot en ansjovis

Welke soort herken jij? Bekijk de historische illustratie, vergelijk het vistuig en seizoen, en bespreek de verdiepingsvraag.

Spiering op een historische illustratie uit 1785
Detail uit Bloch, Ichtyologie, plaat XXVIII (1785), figuur 2. Publiek domein · Biodiversity Heritage Library.
Kijkvraag: Hoe herken je een spiering?

Kijk naar het slanke lichaam, de gevorkte staart en het kleine vetvinnetje tussen de rugvin en de staart. Vergelijk de spiering met de haring: beide zijn slanke scholenvissen, maar een haring heeft geen vetvinnetje.

Spiering: winterwerk voor de visser

Spiering is een kleine, slanke, zilverkleurige scholenvis. Voor Harderwijk was de vangst in de winter belangrijk. Tegen het einde van de winter trok spiering naar zoeter water om zich voort te planten.

Hoe vingen de vissers spiering?

Met trekkende drijfnetten, staande spieringnetten en ook met de grote kuil. Als de Zuiderzee dichtvroor, konden vissers met speciale floddernetjes onder het ijs vissen.

Verdiepingsvraag: Waarom was spiering zo belangrijk?

De vangst kon in de winter geld opleveren, wanneer andere visserijen en ander werk weinig inkomsten gaven. IJsvisserij was zwaar en riskant: de vissers moesten hun weg vinden over het ijs en in de kou hun netten bedienen.

Bekijk hieronder de oorspronkelijke tekening van het vissen onder het ijs.

Historische illustratie van de platvis bot
Krüger, in Bloch, Ichtyologie (1795–1797). Publiek domein · bron en oorspronkelijke plaat.
Kijkvraag: Hoe herken je een bot?

Een bot is een platvis: bij de volwassen vis zitten beide ogen aan dezelfde kant van de kop. De zichtbare bovenkant heeft een schutkleur. Waarom zou dat handig zijn bij een leven op de bodem? Zo valt de vis minder op tegen de ondergrond.

Bot: vissen bij de bodem

Bot is een platvis die veel bij de bodem leeft. In het Harderwijkse visserijjaar hoorde de botvangst vooral bij de warmere maanden.

Met welk vistuig werd bot gevangen?

Harderwijkers gebruikten onder meer staande botnetten en botsleepnetten. Bij het botslepen werkten twee schepen samen. Een botsleepnet was een ander net dan de zakvormige kuil.

Verdiepingsvraag: Waarom viste niet iedere botter op dezelfde manier?

Schipper, schip, uitrusting en viswater verschilden. Sommige vissers waren gespecialiseerd in botnetten, andere in botslepen of kuilen. Ook de vangsten bepaalden of een visser van werkwijze veranderde.

Historische illustratie van een ansjovis
Uit H. Schlegel, De visschen (1869). Publiek domein · bron en oorspronkelijke illustratie.
Kijkvraag: Hoe onderscheid je ansjovis van haring?

Let op de spitse snuit en de grote bek, die tot achter het oog reikt. Vergelijk dit met de haring hierboven. Alleen de zilverkleur is onvoldoende om de soort te herkennen.

Ansjovis: een kansrijke seizoensvangst

Ansjovis is een kleine scholenvis die in het warme deel van het voorjaar en de vroege zomer de Zuiderzee binnenkwam. De vangst kon van jaar tot jaar sterk verschillen.

Hoe vingen Harderwijkers ansjovis?

Harderwijkse vissers vingen ansjovis met trekkende drijfnetten, de grote kuil en staande netten. De visserij vond vaak verder van Harderwijk plaats, in het gebied tussen Marken en Urk.

Verdiepingsvraag: Waarom kon een goed ansjovisjaar veel betekenen?

Een grote vangst kon extra inkomsten opleveren. Maar daarop kon een vissersgezin niet ieder jaar rekenen. De wisselende aanwezigheid van ansjovis laat zien hoe afhankelijk de visserij was van de natuur.

Nest: een gemengde vangst

Een man aan de kade naast manden met kleine vis, met de HK98 op de achtergrond.
Nest in manden aan de kade. Achter de manden is het nummer HK98 op het zeil te zien. Deze kleine, gemengde vangst vond onder meer haar weg naar de eendenhouderij. Kijk naar de manden: hoe werd de vangst van boord naar de wal gebracht?

Spiering is een vissoort; nest is een verzamelnaam voor een gemengde vangst. Er kon dus ook spiering tussen het nest zitten. De partij was bestemd voor andere toepassingen dan voedsel voor mensen.

Wat zat er in een mand nest?

Bijvoorbeeld stekelbaars, jonge haring, spiering en garnalen. Niet alles was jonge vis: ook volwassen dieren van kleine soorten kwamen erin terecht. De samenstelling verschilde per vangst.

Waarvoor werd nest gebruikt?

Voor bemesting van land en als voer voor kippen en eenden. Na de komst van Den Herders vismeelfabriek in 1912 kreeg nest in Harderwijk ook een bestemming als grondstof voor vismeel. Vissers gingen met de dwarskuil speciaal op nest vissen.

Werd nest ook over de vischafslag verkocht?

Nest werd rechtstreeks aan afnemers geleverd, waaronder de vismeelfabriek van de gebroeders Den Herder. Het liep daarmee niet via dezelfde verkoop als de consumptievis op de afslag.

Waarom ontstond er discussie over nestvisserij?

Tussen het nest zat ook jonge vis van soorten die later als grotere consumptievis konden worden verkocht. Tegenstanders vreesden schade aan toekomstige vangsten. Voor vissers leverde nest juist direct inkomsten op. Daardoor ontstond discussie over de kuilvisserij, maaswijdten en de bescherming van kleine vis. Ook visserijvereniging Onze Toekomst hield zich met deze kwesties bezig.

Bespreek samen: geld verdienen vandaag of vis laten groeien voor morgen?

Verplaats je in een visser die zijn gezin moet onderhouden. Wat zou je doen met een vangst kleine vis? En welke afspraken zou je met andere vissers willen maken om ook later te kunnen blijven vissen? Onderbouw je keuze met het verhaal over nest.

Onthoud: zet nest niet als aparte vissoort op een soortenkaart. Het gaat om de samenstelling en bestemming van een vangst.

Bron: Peter Dorleijn, Van gaand en staand want, deel IV, Harderwijk: het visserijjaar (p. 76), trekkende netten en botslepen (p. 77–81), nestvisserij (p. 94–95), visafslag en Onze Toekomst (p. 46–53) en spieringvisserij onder het ijs (vanaf p. 111).

Kun je het visserijjaar uitleggen?

Waarom viste een botter niet het hele jaar op dezelfde soort?

Vissen kwamen niet overal en altijd even veel voor. In de winter richtten Harderwijkse vissers zich bijvoorbeeld op spiering. Daarna kwam de haringvisserij. In de warmere maanden waren onder meer paling, bot en garnalen belangrijk. Een ander seizoen betekende vaak ook ander vistuig.

Wat veranderde door de Afsluitdijk?

Na de afsluiting in 1932 veranderde de Zuiderzee in enkele jaren in een zoet IJsselmeer. Haring, ansjovis en garnalen verdwenen. Ook de botvisserij liep terug. Paling bleef belangrijk en snoekbaars bood nieuwe mogelijkheden. De visserij hield daarmee niet overal op: de overblijvende bedrijven moesten zich aanpassen.

Dat ging verder dan een andere vissoort kiezen. Voor sommige netten was geen werk meer, terwijl ander vistuig nodig werd. Kleine, gespecialiseerde bedrijfjes verloren hun bestaansbasis. Er kwamen ook gebruikte botters uit onder meer Marken en Huizen beschikbaar, die aan de Oostwal kleinere schepen konden vervangen. De verandering van het water veranderde zo ook de vloot en het werk aan boord.

Verder kijken: werkbladopdracht 3 met de soorten en vistuigen. Historische achtergrond: Peter Dorleijn, Van gaand en staand want, deel IV, Harderwijk: het visserijjaar (p. 76), dwarskuil- en garnalenvisserij (p. 83–95), overige visserijen (p. 109–111) en de visserij na 1932 (p. 115–119).

Waar zwemt de vis? Daar moet je net zijn

Een visser paste zijn net aan de vis aan. Ansjovis zwom doorgaans hoog: een ansjovissleepnet hing daarom vanaf het wateroppervlak. Bij een botsleepnet was de onderreep zwaar met lood bezet, zodat het net door de modder kon trekken waar de bot zich ophield. Haring- en spieringsleepnetten reikten met hun onderkant tot vlak boven de bodem.

Waarom heette de wonderkuil ook moordkuil?

De wonderkuil was een groot zakvormig net dat door twee naast elkaar zeilende schepen werd voortgetrokken. Het ving ook veel ondermaatse vis en jong broed. De bijnaam moordkuil laat zien dat daar toen al kritiek op bestond. Vissers en andere betrokkenen discussieerden over de gevolgen voor toekomstige vangsten.

Wat veranderde door machinaal gebreide netten?

Omstreeks 1880 nam het gebruik van machinaal gebreide netten toe. Staande netten werden daardoor op veel grotere schaal gebruikt, onder meer voor ansjovis. Ook mensen die daarnaast ander werk deden, gingen ermee vissen. In de ansjovistijd kon het zo druk worden met uitgezette netten dat andere visserij en scheepvaart er hinder van ondervonden.

Dezelfde vis, verschillende methoden

Paling kon met onder meer hoekwant, kistjes of andere passende vistuigen worden gevangen. Voor scholenvis, zoals haring, werden andere netten en werkwijzen gebruikt dan voor vis dicht bij de bodem of wal.

Hoort bij iedere vis maar één vistuig?

Nee. Dezelfde vissoort kon met verschillende vistuigen worden gevangen. Wat een visser gebruikte, hing onder meer af van het seizoen, de plek en zijn schip. Technieken veranderden bovendien door de tijd en regels beperkten wat was toegestaan.

Meer motorkracht, minder vrijheid om te vissen

Een motor maakte een visser minder afhankelijk van de wind. Daarmee kon ook de druk op de visstand toenemen. Na de afsluiting van de Zuiderzee ontstond een scherp conflict: hoe bescherm je de vis, terwijl vissers van hun vangst moeten leven? Grotere motorbedrijven en vissers met zeilschepen of lichte motoren hadden daarbij verschillende belangen.

Waarom kwam er een grens van 20 pk?

Vanaf 1 juli 1934 werd kuilvisserij met motoren van meer dan 20 pk verboden. Als overgang werden motoren tot 30 pk nog toegelaten wanneer zij vóór 2 juni 1934 waren ingebouwd. De maatregel moest onder meer de grote, sterk gemotoriseerde schepen naar de Noordzee terugdringen. Vooral op Urk leidde dit tot protest: niet ieder schip was nog geschikt voor rendabele Noordzeevisserij.

Bleef die vermogensgrens steeds hetzelfde?

Nee. In 1935 werd na strijd tussen ministeries ruimte gegeven om zwaardere motoren terug te stellen; in het seizoen 1935–1936 was ook afstelling tot 30 pk geoorloofd. Controle bleek lastig: met ingrepen aan een motor kon het vermogen weer worden verhoogd. In december 1935 werden de voorwaarden opnieuw aangescherpt tot 20 pk, met een uitzondering voor schepen die op 1 juli 1934 al een motor van 30 pk hadden. Afstellen werd toen niet meer toegestaan.

Eind 1939 werd aangekondigd dat vanaf 1 april 1940 ook de resterende motoren boven 20 pk niet meer zouden worden toegelaten. Sommige getroffen vissers kregen wel toestemming om met hoekwant, kubben of fuiken te vissen, maar niet met de kuil. Het ging om historische visserijvoorwaarden op het IJsselmeer; dit was geen algemene vermogensgrens voor iedere botter.

Een motor om te varen of om te vissen?

Dat verschil is belangrijk. Buiten Urk werd omstreeks 1936 nog niet op grote schaal gemotoriseerd gevist. Ingebouwde Ford-benzinemotoren werden veelal vooral gebruikt om te varen. Een overzicht van de IJsselmeervisserij omstreeks 1936 vermeldt voor Harderwijk 101 visvergunningen en 20 motoren, alle van het merk Ford. Een motor aan boord betekende echter niet automatisch dat ook het vissen op motorkracht gebeurde.

Ook visgebied en seizoen werden beperkt

Vanaf 1911 kreeg de overheid door de nieuwe Visserijwet meer invloed op de Zuiderzeevisserij. Na de afsluiting in 1932 was bovendien een domeinvergunning nodig. De voorwaarden bepaalden steeds nadrukkelijker waar, wanneer en waarmee een visser mocht werken.

  • Vistuig: direct na de afsluiting werden wonderkuil en bordenkor verboden.
  • Seizoen: aanvankelijk gold voor dwarskuil, kwakkuil en aalkornet een gesloten tijd van 15 november tot en met 28 februari. In 1938 werd het kuilseizoen verkort tot 1 april–1 november.
  • Visgebied: in 1934 werd kuilvisserij binnen drie kilometer van de kust verboden. In 1937 werd de beschermde kuststrook uitgebreid tot acht kilometer; de zuidgrens van het toegestane kuilgebied liep van de oostpunt van Marken naar Doornspijk.
  • Vismaat: op 1 november 1937 ging de minimummaat voor paling van 25 naar 28 centimeter.
  • Netten: in 1939 werd voor snoekbaarssleepnetten een maaswijdte van 95 millimeter vastgesteld.
Wat betekende de lijn voor Harderwijk?

De grens van het kuilgebied werd door vissers de lijn genoemd. De overheid wilde jonge zoetwatervis beschermen en de kuilvisserij terugdringen. Vissers zagen visgronden verloren gaan, moesten verder varen en vreesden voor hun inkomen. C. Klaassen, voorzitter van Onze Toekomst in Harderwijk, nam in 1938 deel aan een gezamenlijke commissie die om aanpassing vroeg. Later dat jaar nam Harderwijk opnieuw het initiatief tot overleg tussen zeven vissersplaatsen. De zuidelijke lijn bleef gehandhaafd.

Waarom maakten oorlogen het werk nog onzekerder?

In de Eerste Wereldoorlog bemoeilijkten handelsbeperkingen de uitvoer van vis en ontstond schaarste aan visserijbenodigdheden. Door mobilisatie ontbraken ook visserszonen aan boord. Bedrijven moesten ander personeel zoeken, samenwerken of soms stilliggen. Na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog werden de motorbeperkingen in de praktijk niet meer nageleefd en gingen motorschepen weer kuilen. Daaruit volgt niet dat de regels ook formeel waren ingetrokken.

Klein schip, ander werkgebied

Kleine vaartuigen waren nuttig in ondiep kustwater en bij fuiken en lijnen. Een bijboot hielp bij het uitzetten en ophalen van materiaal. Grotere vissersschepen konden langere reizen maken en meer materiaal meenemen.

Wat betekent walvisserij?

Walvisserij betekent hier vissen dicht bij de wal. Een walvisser was dus geen jager op walvissen. Kleine vaartuigen konden voor korte tochten dicht bij de kust worden gebruikt. Grotere schepen boden ruimte voor langere visreizen.

Ook onder het ijs werd gevist

Winter betekende minder mogelijkheden en vaak minder inkomen. Netten werden gerepareerd en ander werk werd gezocht. Maar er bestond ook wintervisserij: bijvoorbeeld spieringvisserij onder het ijs.

Vissen onder het ijs
Vissen onder het ijs

Op de tekening zie je hoe het vistuig onder het ijs wordt gebracht. Een winter zonder open vaarwater betekende dus niet dat iedere vorm van visserij stopte.

Oorspronkelijk lesboek; volledige credits in de uitgave · lesboek, bladzijde 15. Bekijk de oorspronkelijke bladzijde ↗

Waarom was vissen onder het ijs gevaarlijk?

Daarbij werden openingen gehakt en netten onder het ijs gebracht. Dat werk kon levensgevaarlijk zijn wanneer ijs brak of losraakte. Het verklaart waarom gezamenlijke reddingsmiddelen belangrijk waren voor de vissersgemeenschap.

Ik ben bij het museum

Bij een net, fuik of afbeelding

Volg met je vinger de weg van de vis op de oorspronkelijke tekening. Moet het tuig bewegen of komt de vis zelf naar het tuig? Vergelijk de kuil met de fuik.

Vraag door bij de vrijwilliger

Waaraan zie je dat dit vangmiddel anders werkt dan het andere?

Bronnen en achtergrond

Motorvermogen en beperkingen: aangeleverde boekpagina’s, hoofdstuk VII Toenemende overheidsbemoeienis, met name p. 171–177 en het onderdeel over de Eerste Wereldoorlog. De volledige uitgavegegevens ontbreken bij de scans. De vermelde maatregelen beschrijven de historische situatie.

Aanvullend: aangeleverde boekpagina’s uit De Zuiderzee als visgebied, vissoorten en vistuigen (p. 18–24). De volledige uitgavegegevens ontbreken bij deze scans. Het algemene Zuiderzeebeeld wordt hier onderscheiden van het Harderwijkse visserijjaar.

Peter Dorleijn, Van gaand en staand want I (1982), algemene inleiding: het viswater (hoofdstuk II, vanaf p. 14), vistuigen (hoofdstuk III, vanaf p. 23), veranderingen in schepen en uitrusting (hoofdstuk IV, p. 46–47) en gevolgen van de afsluiting (hoofdstuk VI, vanaf p. 51).

Oorspronkelijk lesboek, docentenhandleiding en werkbladen van de Botterstichting Harderwijk; aangevuld met de bestaande museumverhalen en scheepsdossiers.