Het schip · vorm, werk en leven aan boord
Om van visserij te leven had je een schip nodig dat bij het ondiepe water én bij je werk paste.

De opengewerkte tekening laat zien hoe weinig ruimte er onder het dek is. Zoek het vooronder in het hoge voorschip en vergelijk dat met de werkruimte in het lage achterschip.
Peter Dorleijn / Nieuw Land, Lelystad · lesboek, bladzijde 10. Bekijk de oorspronkelijke bladzijde ↗
Botter & onderdelen
Een botter is een traditioneel zeilend vissersschip van de Zuiderzee, herkenbaar aan de hoge, overdekte kop en het lage, open achterschip. De botter was tegelijk werkplek, opslagplaats en verblijf.
Kijk · kies · ontdek
Waar bewaar jij de vangst?
Samen doen · vanaf de kade
Jij bent schipper, ik ben de knecht
- Zoek drie plekken. Wijs op de opengewerkte tekening aan waar je werkt, leeft en vis bewaart. Laat je partner de namen noemen.
- Maak een keuze. De vangst komt binnen. Vertel elkaar in welke volgorde je de vis zou binnenhalen, sorteren en in de bun brengen. Wijs de route op de tekening aan.
- Vergelijk met het echte schip. Welke onderdelen herken je vanaf de kade? Welke zitten uit het zicht? Vraag een vrijwilliger wat er op dit schip veranderd is.
Controleer jullie route van de vangst
Op het lage achterschip werd het net binnengehaald. De vangst werd gesorteerd; levende vis kon via de trog in de bun worden gebracht. De indeling en werkwijze verschilden per schip en visserij.
- De bun hield vis levend.
- Het vooronder was de leefruimte.
- Het zwaard beperkte zijwaarts wegdrijven.
Een schip voor ondiep water
De Zuiderzee was op veel plaatsen ondiep. Vissers gebruikten daarom schepen met weinig diepgang. Botters hebben een brede romp, een hoge boeg en een laag achterschip. Hun houten zwaarden hangen buiten de romp. Zo steekt er geen diepe vaste kiel onder het schip.
Welke andere schepen voeren hier?
De vloot bestond ook uit pluten, punters, schokkers, aken, bollen en andere typen. De vorm paste bij vaarwater, haven, bouwwijze en vismethode. Een kleine open boot en een botter boden verschillende mogelijkheden.
Waarom koos een visser voor dit schip?
Een nieuw schip betekende een afweging tussen geld, werkruimte en vaargebied. Een groter schip kon meer vistuig en vangst meenemen, maar moest nog wel de eigen haven kunnen bereiken. Ook moest de bemanning het kunnen bedienen: extra omvang mocht niet vanzelf extra personeel vragen.
De vorm ontstond uit een samenspel van waterdiepte, haventoegang, vismethode en het vakmanschap van de werf. Ook binnen één kuststreek bestonden verschillende botters. Bij Westwal, Zuidwal en Oostwal ontdek je die verschillen aan de hand van onze museumvloot.
Wat vertelt de inrichting over het vroegere werk?
Voor het halen en uitzetten van netten was een gladde werkruimte belangrijk. Uitstekende delen konden het netwerk beschadigen. Ook de plaats van klampen, ogen en visbomen vertelt iets over de gebruikte vistuigen. Een bun was belangrijk bij levende aanvoer van bijvoorbeeld paling en bot; haring en ansjovis konden ook dood worden aangevoerd. Bekijk dus niet alleen de buitenkant: juist de inrichting laat zien waarvoor een schip werd gebruikt.
Westwal, Zuidwal en Oostwal: waarom verschillen botters?
Een wal is een kust. Rond de Zuiderzee ontwikkelden werven verschillende bottervormen. Het vaarwater, het vistuig en de wensen van de visser speelden mee. De namen helpen om verschillen te herkennen, maar vormen geen vaste grenzen.
Westwal · Marker botters en Monnickendammer werven
De Westwal is de Noord-Hollandse kant van de Zuiderzee. De werven De Haas en Kater in Monnickendam bouwden veel voor Marken. Een Marker botter kon dus in Monnickendam gebouwd zijn. Ook grotere Volendammer kwakken kwamen van deze werven.
Peereboom beschrijft de Marker botter met een lager voorschip dan de Gooise botter, een bijzonder laag achterschip en een licht gebogen gaffel. Het lage werkboord hielp bij het hanteren van netten. Marker vissers sleepten onder meer met twee schepen samen een net.
Bekijk deze traditie bij de HK22 →
Bronnen: J. Peereboom, Botters, via SSRP; RCE, IJsselmeerbiografie Noord-Holland.
Zuidwal · de verschillende vormen uit Huizen en Spakenburg
De Zuidwaltraditie hoort bij de zuidelijke kust, met Muiden, Huizen en Spakenburg als bouwplaatsen. De HK23 is een Huizer of Gooise botter. Haar hoge kop en lage, smalle achterschip zijn in het stamboek als kenmerken van die afkomst beschreven.
Binnen de Zuidwaltraditie bestonden verschillen. Volgens werfbaas Aart Nieuwboer hadden Bunschoter botters rechtere zijden en een voller achterschip. In Huizen stimuleerde de vraag naar snelle koopbotters een smaller vlak en fijner uitlopende lijnen achterin. Nieuwboer beschreef de Bunschoter als de weerbaardere vorm bij slecht weer.
Ontdek waarom de HK23 een Gooise Zuidwalbotter is →
Bronnen: SSRP, scheepsdossier HK23; Aart Nieuwboer, geïnterviewd door Dorleijn, in de werfgeschiedenis.
Oostwal · kleinere botters en verschillende visserijen
Bij de HK172 verwijst Oostwal naar de oostelijke Zuiderzeekust, met onder meer Elburg en Kampen. Dorleijn beschrijft bij de vissers van de Oostwal een voorkeur voor kleinere botters in samenhang met staandwantvisserij. Daarbij bleven de netten uitgezet in het water, bijvoorbeeld voor de vangst van bot.
Dorleijn noemt ook het eigen model van de werf Van Aller in Hasselt: doorgaans kleiner en met een lage kop. Dat is een beschrijving van die werf, geen vaste bouwregel voor iedere botter uit een oostelijke haven.
De streeknaam alleen vertelt niet hoe diep een schip steekt. Daarvoor zijn de afmetingen en belading van het afzonderlijke schip van belang. Ook een Harderwijker visserijnummer bewijst niet dat een botter in Harderwijk is gebouwd of tot één plaatselijk bouwtype behoort.
Ontdek het Elburger verleden van de HK172 →
Bron: Peter Dorleijn, De bouwgeschiedenis van de botter (1998), de passages ‘Types’ en ‘Zuiderzeegebied’ in het door SSRP gepubliceerde overzicht.
Harderwijk: veranderde de vaargeul het formaat van de botters?
Harderwijk ligt op de overgang van Zuidwal naar Oostwal. Het Zuiderzeemuseum noemt Harderwijk bij de Oostwal in zijn beschrijving van de kubboot. Nieuw Land beschrijft de stad als grensplaats tussen beide kustgebieden. De ligging van de haven bepaalt echter niet bij welke werf een botter is gebouwd.
Ook de haven werd aangepast. Een Kamerstuk uit december 1896 beschrijft plannen voor verdieping van de haven, verlenging van de havenhoofden en extra ligruimte. In 1925 werd door de zandbank Het Harde een diepere vaargeul gebaggerd. Daardoor verbeterde de toegang voor dieper stekende schepen.
Meer water onder het schip kan ruimte bieden voor meer belading of een dieper stekend vaartuig. Dat betekent nog niet dat vissers daardoor langere of bredere botters gingen bestellen. In de hier geraadpleegde bronnen is zo’n verandering van de bottervloot niet aangetoond.
De HK23 laat zien waarom de jaartallen ertoe doen: zij werd al in 1909 in Huizen gebouwd voor een Harderwijker visser. Dat was vóór de geulverbetering van 1925. Havenbereikbaarheid, visserij en scheepsbouw hebben elk hun eigen ontwikkeling.
Bronnen: Zuiderzeemuseum, kubboot BU211; Nieuw Land, ‘Het grote belang van (spoor)verbindingen’ (6 juni 2013); Staatsbegroting 1897, Memorie van Antwoord van 4 december 1896, p. 2; De Noord-West Veluwe, p. 9, over de vaargeul van 1925; SSRP, scheepsdossier HK23.
Waarom zegt een HK-nummer niet waar de botter gebouwd is?
De letters verwijzen naar de vissersplaats van registratie. Door verkoop kon een schip andere letters en een ander nummer krijgen, terwijl de bouwvorm bleef bestaan. Om de herkomst te bepalen, kijk je ook naar de werf, de vroegere eigenaren en de romp.
Ook de typenamen verschillen per auteur. Peereboom noemt de Marker botter bijvoorbeeld Noordwalbotter en gebruikt Oostwal bij Urk. Urker Noordzeebotters waren juist groter en dieper dan de kleine kustbotters die hier bij de HK172 worden bedoeld.
Bronnen: RCE, visserij en registratietekens; Peereboom, indeling van bottertypen; Dorleijn, de verschillende bouwplaatsen.
Bekijk de kop en het achterschip van de HK22, HK23 en HK172, of vergelijk de foto’s in hun scheepsdossiers. Welke verschillen zie je? Vraag een vrijwilliger welke delen bij het oorspronkelijke werk horen en wat later is veranderd.
De HK21 laat zien waarom ook de eigen levensloop meetelt: haar achterschip werd na oorlogsschade hersteld en het schip werd verlengd.
Hoe ontstond de botter?
De botter ontstond geleidelijk uit oudere vormen van vissersschepen. Een afzonderlijke uitvinder of één geboortejaar valt niet aan te wijzen. Omstreeks 1900 was de botter het meest verbreide scheepstype op de Zuiderzee.
De invloed van het viswater en de thuishaven lees je hierboven bij de keuze voor een schip. Bij de museumvloot vind je de eigen bouw- en gebruiksgeschiedenis van ieder vaartuig.
Van vlak tot boeisel
De traditionele houten botter is grotendeels uit eikenhout gebouwd. De planken van de huid sluiten met hun randen op elkaar aan: karveelbouw. Achter de buitenkant zit de constructie die het schip zijn vorm en sterkte geeft.
- Vlak en huidgangen
- Het vlak is het onderste deel van de romp. De huidgangen zijn de lange planken die samen de buitenhuid vormen.
- Leggers, spanten en knieën
- De inwendige houten delen verbinden en ondersteunen de romp. Een knie is een gekromd verbindingsstuk dat de constructie verstevigt.
- Voorsteven en achtersteven
- De zware delen aan de voor- en achterkant verbinden de romp en bepalen mede het profiel van het schip.
- Berghout en boeisel
- Het berghout is een zware langsscheepse versterking aan de buitenkant. Het boeisel is het opstaande boord boven het dek en de werkruimte.
- Plecht, deken en achterhuisje
- De plecht is het voordek. De deken sluit de bun aan de bovenzijde af; de trog geeft toegang tot de vis. Het achterhuisje biedt bergruimte in het achterschip.
De hoge kop helpt het voorschip bij golven boven water te houden. Het lage achterschip maakt het werken met netten bij het water gemakkelijker. De vorm van het schip is zo verbonden met het werk van de visser.
Zie hoe deze houten onderdelen worden gemaakt en onderhouden →
Welke onderdelen laten de botter zeilen?
- Mast, gaffel en giek
- De mast draagt het tuig. De gaffel houdt de bovenkant van het grootzeil uit; de giek houdt de schoothoek uit.
- Voorstag en kluiverboom
- De fok wordt langs de voorstag gehesen. De uitschuifbare kluiverboom brengt de kluiver verder vóór het schip.
- Vallen en schoten
- Vallen zijn de lijnen waarmee zeilen worden gehesen. Met schoten regelt de bemanning de stand van de zeilen.
- Zwaarden en roer
- De zijzwaarden beperken de drift. Het roer, bediend met de helmstok, verandert de vaarrichting. Zeilen, zwaard en roer werken samen.
- Blokken, klampen en bolders
- Blokken leiden lijnen en vormen met meerdere schijven een takel. Klampen en bolders zijn vaste punten om lijnen te beleggen.

Zoek het roer achter aan het schip en de helmstok erboven. Bekijk ook het opgehaalde zijzwaard en de lijnen. Welke onderdelen gebruik je om te sturen en welke om de zeilen te bedienen? Datering onbekend.
Waar leefde de bemanning?
In het voorschip lagen het kabelgat en het vooronder. In het kabelgat werden onder meer kabels en zeilen opgeborgen. De leefruimte in het vooronder was klein: banken, bergplaatsen en een kacheltje waarop ook werd gekookt. Slaapgelegenheid en indeling verschilden per schip.
Hoe sliep je tussen het materiaal?
Tijdens langere visreizen werd aan boord gewerkt, gegeten en gerust. Het comfort was ondergeschikt aan het werk. Ook tussen opgeborgen zeilen en ander materiaal zocht de bemanning een plek om te slapen.
Een koelkast zonder stroom?
De gevangen vis kon levend worden bewaard in de bun: een ruimte waarin buitenwater via openingen in de scheepshuid kon stromen. De trog gaf toegang tot de bun. Bij het sorteren werd bepaald welke vangst werd bewaard.

De vissers halen een fuik binnen. Bekijk hun handen en het net. Waar zouden ze de gevangen vis aan boord levend bewaren?
‘Een fuik wordt binnengehaald’. Bron: oorspronkelijk lesboek, p. 10. Bekijk de bronpagina ↗
Was de bun echt een koelkast?
De bun was een praktische oplossing voor levende vis, geen koelinstallatie. Niet alle vissoorten of verkoopwijzen vroegen dezelfde behandeling. Later konden motorinbouw en een andere bedrijfsvoering de indeling veranderen.
De zeilen herkennen
Het grootzeil en de fok vormen de belangrijkste zeilen. Afhankelijk van schip, omstandigheden en werk werden extra zeilen gebruikt, zoals een kluiver en een bezaan. De kluiver staat vóór de fok; een bezaan is een extra zeil achter het grootzeil.

Het grootzeil staat achter de mast; daarvoor staan de fok en, verder naar voren boven de kluiverboom, de kluiver. Helemaal achteraan staat de bezaan. Vergelijk hun vorm en plaats. Welke zeilen herken je op een botter bij het museum? Datering onbekend.
Wat betekent HK?
HK verwijst naar Harderwijk; EB naar Elburg, BU naar Bunschoten en UK naar Urk. Het nummer maakte een vissersbedrijf herkenbaar. Het was zichtbaar op schip en zeil en hielp bij identificatie en toezicht.

Zoek het nummer, de eigenaar Jan Jansen en de twee bemanningsleden op deze kaart. Bij de bruto-inhoud staat 37 m³. Dat is een inhoudsmaat; lengte en breedte staan hier niet vermeld.
Wat vertelt deze kaart over het schip?
Een visserijnummer is geen vast bouwnummer van één schip. Een visser kon zijn nummer op een vervangend schip gebruiken; bij een andere eigenaar kon een schip een ander nummer krijgen. Om een schip te herkennen, vergelijk je daarom ook de eigenaar, het bouwjaar en de scheepskenmerken.
Een consent is een toestemmingsdocument of vergunning. Regels voor registratie en vergunningverlening veranderden door de tijd.
Klik op de kaart om de oorspronkelijke tekst te vergroten.
Hoe leefde en werkte de bemanning een week aan boord? Ontdek het vissen bij nacht, het aandoen van havens en de keuzes wanneer de bun vol raakte.
Van werkboot naar museumvloot
De museumvloot bestaat uit HK21, HK22, HK23, HK172, HK4 en HK61. Deze schepen hebben verschillende bouw- en gebruiksgeschiedenissen. Bij elk schip lees je over de bouw, de vroegere eigenaren en het behoud door het museum.
Hoe blijft een oude botter varen?
Een oude botter blijft behouden door onderhoud, kennis en gebruik. Varen laat voelen waarom bemanning duidelijke namen, afspraken en samenwerking nodig heeft. Bekijk de afzonderlijke schepen voor hun eigen maten, herkomst en geschiedenis.

Vergelijk de vormen van de schepen: kop, mast, boeisel en achterschip. Ook tussen traditionele vissersschepen bestaan duidelijke verschillen. Deze bijeenkomst laat meer schepen zien dan alleen de museumvloot.
Ik ben bij het museum
Bij een botter aan de kade
Zoek op de oorspronkelijke tekening het vooronder, de bun en het zwaard. Wijs daarna op een aanwezige botter het zwaard, de fok en het roer aan. Wat kun je vanaf de kade wel en niet zien?
Vraag door bij de vrijwilliger
Waarom zou het schip zonder zwaard meer opzij drijven?
Aanvullend: aangeleverde boekpagina’s uit het hoofdstuk De Zuiderzee als visgebied, onderdelen 5–6 (p. 21–24). De titelpagina en volledige uitgavegegevens zijn bij deze scans niet meegeleverd.
Peter Dorleijn, Van gaand en staand want I (1982), algemene inleiding, hoofdstuk IV: scheepstypen, eisen vanuit de visserij en invloed van de thuishavens (p. 39–47).
Oorspronkelijk lesboek Het visserijverleden van Harderwijk, p. 9–11, docentenhandleiding en werkbladen van de Botterstichting Harderwijk; aangevuld met de beschrijving van de botter door de SSRP, Dorleijn en de scheepsdossiers.